Zoeken in deze blog

zaterdag 8 november 2008

Tesselse Natuur - Aardappelteelt

In de 17e eeuw werd de aardappelteelt op het waddeneiland Texel gedomineerd door de familie Oosterdijk. Heel Texel was voor zijn dagelijkse aardappel afhankelijk van deze boerenfamilie. Door malaise in de aardappelhandel deed Marc, de enige zoon van de familie, eens de uitspraak: Malheur meakt eerdappels tot een sleur. Deze spreuk wordt dezer dagen op Texel nog met enige regelmaat gebruikt.

Tesselse Natuur - Lamsoor

Lamsoor

Lamsoor (Limonium vulgare) komt voor op kwelders en in gebieden die onder invloed van het getijde staan en af en toe overstroomt worden met zeewater; de zogenaamde zilte zoom. Zo bestaat de begroeiing van de Slufter op Texel voor het overgrote deel uit een zoutminnende vegetatie, die in juni overwegend paars kleurt vanwege de lamsoor. Lamsoor komt in Nederland voor in het deltagebied, op de waddeneilanden, langs de Waddenkust op de kwelders.
De plant vermeerdert zich vooral vegetatief door middel van stekken. Op de onderkant van het blad zitten zoutklieren, die het overtollig zout uit de plant halen. Per vierkante centimeter zitten ongeveer 600 zoutkliertjes. Als de zon op de bladeren schijnt schitteren de zoutkristallen op de bladeren.

Insecten
Vlinders komen vanwege de nectar veel op bloeiende lamsoor voor.
De rupsen van de vedermot doen zich te goed aan de bladeren.

Trivia
De bladeren van de zeeaster (Aster tripolium) worden als groente gegeten, zij zijn bekend als lamsoren.

Tesselse Schaap - Het ontstaan van de Texelaar

Het ontstaan van het ras de Texelaar

De schapen zijn op Texel al heel lang aanwezig, er zijn geschriften uit 1477 waaruit blijkt dat er toen al veel schapen op Texel liepen. Tot 1860 waren dit voornamelijk zogenaamde Pijlstaarten, een ongehoornd, sober ras met goede wol maar matig bespierd. Rond 1860 werd dit ras eerst gekruist met de Leichester, later ook met de Lincolnshire. Daardoor ging zowel de bevleesdheid als de wolkwaliteit vooruit.

Het oprichten van het Texels Schapenstamboek in Noord-Holland (afgekort T.S.N.H.) in 1909 bracht wat meer structuur in de fokkerij, het kruisen stopte, en er werden raskenmerken vastgesteld. Langzamerhand ontstond daarna het Texelse schaap, ook wel bekend als de Texelaar, met een groot aanpassingsvermogen en een goede vleeskwaliteit.


1907






1975






heden





Na 1960 is er vooral gefokt op de bespiering en de vlees/beenverhouding welke de Texelaar de huidige wereldfaam heeft bezorgd. Het Texelse schaap wordt in Nederland Texelaar genoemd, in het buitenland vaak Texelsheep of kortweg Texel. Daarnaast is er de Beltex, wat eigenlijk ook gewoon een Texelaar is, die via België naar Engeland is gegaan.

De omvang van het ras

Toen het stamboek werd opgericht kwamen de Texelaars voornamelijk voor in Noord- en Zuid-Holland, maar daarna verspreiden ze zich ook over de andere provincies. Ook in andere landen raakte de Texelaar bekend om zijn vleeskwaliteit zodat er ook export ontstond naar Engeland, Frankrijk, Denemarken, België en later ook naar Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. De laatste jaren vond er export plaats naar onder andere Italië, Portugal, Rusland, Noord-Ierland, Duitsland en Brazilië. De op deze site aanwezig fokkers op Texel hebben een gezamenlijke populatie van zo`n 2200 dieren.

Uitgangspunt

Het uitgangspunt voor de fokkerij van de Texelaar is een schapenfokkerij die gericht is op de meest economische vleesproductie, met behoud van voldoende rastypische eigenschappen. De Texelaar heeft daarbij de volgende funkties:

SlachtlamvaderdierDe fokkerij en selectie zijn gericht op de afzet van dekrammen voor de productie van slachtlammeren.
Slachtlammoederdier
De fokkerij en selectie zijn gericht op de afzet van fokooien voor de productie van slachtlammeren. De genetische aanleg voor de beide funkties kan in een schaap aanwezig zijn.




Rasbeschrijving

De Texelaar is een middelzwaar schaap, dat een keer per jaar aflamt. Volwassen ooien werpen en zogen doorgaans twee lammeren per worp. De eerste worp kan reeds op eenjarige leeftijd van een ooi plaatsvinden. De Texelaar heeft een zeer goede slachtkwaliteit. De vetbedekking is optimaal. Het lichaam van de Texelaar is ruimgebouwd, balkvormig en doet massaal aan. De kop is sprekend, heeft goede verhoudingen en is voorzien van een recht neusbeen en een brede bek. Verder is een zwarte neusspiegel en een blanke beharing gewenst. De hals is voldoende lang en correct geplaatst. De romp is in zijn geheel best bespierd, met extra gevulde lenden en dijen. De voor-, midden- en achterhand vormen een evenredig geheel. De voorhand is breed en diep, met een goed geplaatste, vrij lange schouders een voldoende ver naar voren doorlopend borstbeen. De middenhand is lang, breed met voldoende diepte in de ribben en brede, sterke lendenen. De achterhand is breed terwijl het kruis lang en licht hellend is. Het beenwerk is fijn van structuur, droog en krachtig. Het is zowel in gang als in stand correct. De wol is fijn, gesloten en vast gestapeld en bevat geen overtollig wolvet. De romp is bedekt met een witte vacht. De kop en benen zijn onbewold maar bedekt met wit haar. De staart is fijn en heeft een passende lengte.

Een volwassen ram weegt circa 95 kilo en heeft een schofthoogte van circa 70 centimeter Een volwassen ooi weegt circa 75 kilo en heeft een schofthoogte van circa 68 centimeter.

vrijdag 7 november 2008

Tesselse Schaap - Blauwe Texelaar

Informatie over de Blauwe Texelaar

De Blauwe Texelaar komt voort uit witte Texelaars met de "blauwfactor". Witte Texelaars met de blauwfactor zijn zeldzaam. Hoeveel er precies zijn is niet bekend. Schattingen variëren van 1 op 25.000 tot 1 op 50.000. In de jaren zeventig schreef ir. P. Hoogschagen in Het Schaap over de zeldzame geboorten van enkele blauwgrijze lammeren uit witte Texelaars. Dat was toen al tien jaar geleden. Het probleem is dat de factor pas zichtbaar kan worden als twee dragers worden gekruist. Volgens de theorie van de erfelijkheid levert zo'n kruising voor een kwart blauwe lammeren op. De helft is opnieuw drager. Het resterende kwart zuiver wit. Met de kleine worpgroottes bij schapen (zo'n 2 lammeren per schaap per keer) wordt het dus moeilijk om de dragers van de blauwfactor op te sporen. Bovendien is het economisch niet interessant. Fokkers die niets van zo'n blauwe moeten hebben, ruimen het lam op en hopen dat er niet weer een wordt geboren.

In de jaren zeventig en tachtig waren er ook schapenfokkers die juist wel wat in de blauwe lammeren zagen. Vooral in Friesland moeten verschillende fokkers zich er helemaal op toegelegd hebben. Zij legden de basis voor de zuivere fok. In 1983 richtten zeven schapenfokkers het Stamboek Blauwe Texelaars op. Hun doel: instandhouding, verbetering en vermeerdering van de eens zo verguisde blauwe afwijking. Met de Blauwe Texelaar is iets merkwaardigs aan de hand. Ze lopen ook bij fokkers van witte Texelaars. Ze zien er blijkbaar toch wat in, net als de Friezen destijds. En er zijn niet veel rassen die op Texelaarsbedrijven 'erbij' worden gehouden. Dat is hooguit weggelegd voor de Suffolk, of de Bleu du Maine, rassen die er puur om economische redenen lopen. Voor de Blauwe Texelaar geldt dat economisch gewin niet zo zeer. Ze mogen van de fokkers van witte blijven, omdat het van die leuke schapen zijn. Een beetje apart. Ze brengen letterlijk kleur in de schapenhouderij.

De Blauwe Texelaar is een gemakkelijk schaap. Aflamproblemen komen praktisch niet voor. Het beenwerk is goed. De levensduur lang. En de kleur maakt hem een mooi schaap. Bovendien levert hij prima slachtlammeren op die een goede prijs opbrengen. Natuurlijk zijn er ook minpunten. De kwaliteit van de vacht mag in een aantal gevallen beter. Iets fijnere wol en iets meer gesloten. Ook de bespiering mag vooruit. Dat lukt met blauwe dieren die uit twee witte worden geboren. Als bij een beroemd wit-fokker een blauw ramlam werd geboren, vloog iedereen er op af. Toch is het exterieur van de Blauwe Texelaar duidelijk anders dan dat van de witte. Daar waar de witte tot voor enkele jaren steeds beknopter en extremer werd, bleef de blauwe een ruim schaap. Een beetje het ouderwetse Texelaartype. Het Stamboek Blauwe Texelaars kiest ook voor een eigen aanpak van een betere bespiering door selectie. In de eerste jaren werd met alle blauwen gefokt. Begin jaren negentig concludeerde men dat er een ruim en solide schaap gefokt moest worden met voldoende bespiering. De eisen voor het inschrijven van Blauwe Texelaars werden in die periode verzwaard. In de eerste jaren schreef het stamboek, om zo snel mogelijk een populatie op te bouwen, alle dieren in die aan de exterieurseisen voldeden. Dieren waarvan de afstamming onbekend was, kwamen eerst in een hulpregister. Blauwe uit blauwe, maar ook blauwe uit bekende witte, werden meteen geregistreerd. In de jaren negentig verdween het hulpregister, toen waren er voldoende dieren om door te gaan. Niet slecht voor een ras dat tien jaar eerder als zeldzaam te boek stond.

Bron: Engelen, J, Schapen in Nederland, Doetinchem, 2000



--------------------------------------------------------------------------------
De geschiedenis van de Blauwe Texelaar
De Blauwe Texelaar komt voor uit de Texelaar. Hieronder staat de geschiedenis beschreven van de Texelaar. De Texelaar zoals we die nu kennen is ongeveer 100 jaar geleden ontstaan. Zo omstreeks 1900 hadden de beide Hollanden een niet onbelangrijk deel in de handel in slachtschapen met Engeland. De handel vond in Detford bij de slachthuizen plaats. De toenmalige exporteurs kwamen op deze manier in concurrentie met de verschillende Engelse rassen en daartegen moest het Hollandse product het in kwaliteit afleggen. Vooral de betere vleesdelen en het beendergestel, dat te grof was, waren aanleiding dat de exporteurs deze concurrentie niet konden volhouden. Onder het voorwendsel dat de Engelsen bevreesd waren voor het binnenhalen van mond- en klauwzeer sloten ze de grens. Het was logisch dat de exporteurs het plan opperden door middel van Engelse rammen de kwaliteit van ons eigen polderschaap te verbeteren. Allerlei Engelse rastypen kwamen toen de Hollanden binnen en de Hollandse fokkerij werd een mengelmoes.

Uiteindelijk waren het vooral de eerst de Texelse boeren die uit die mengelmoes een meer vast type gingen kiezen en daarmee als het ware de basis vormden voor de Texelaar. De oude Texelaar (het schaap dat al op het eiland liep) werd door allerhande kruisingen omgevormd. In tegenstelling tot het vasteland van de Hollanden kreeg de fokkerij op Texel toen al wat vastere vormen. Een commissie van het Noorder Kwartier in Noord-Holland kocht in die tijd in Engeland vier rammen van vier rassen, te weten een Cotswold, een Hampshire Down, een Lincoln en een Wensleydale. Deze rammen dekten de Texelse en inheemse ooien. De commissie beoordeelde in 1907 de nakomelingen van deze kruising. De commissie kwam tot de conclusie dat "de persoonlijke hoedanigheden der voor de kruising gebruikte dieren meer invloed op de hoedanigheid der nakomelingen schenen te hebben gehad, dan het ras". Daarnaast meende de commissie toen te mogen concluderen dat de afstammelingen van de Cotswold en de Hampshire Down minder geschikt waren. De commissie ging door met het kruisen met Lincoln en Wensleydale en met kruislingen hiervan.

Met de oprichting in 1909 van de Vereniging tot verbetering van de schapenfokkerij in Noord- Holland, kwam spoedig verbetering in de uniformiteit. De vereniging stelde een type omschrijving op en met deze voor ogen was in korte tijd door gerichte fokkerij op vleesproductie en sterke selectie onze verbeterde Texelaar gefokt.

Ook in andere kustprovincies, zoals Friesland, Groningen en Zeeland kwamen Engelse rassen binnen om het lokale polderschaap te verbeteren. Gescheiden van Friesland en Groningen door het IJsselmeer ontwikkelde zich in de kop van Noord-Holland, vooral op het eiland Texel, een ander type kust- of polderschaap dat later internationale faam zou krijgen. Aanvankelijk was het Texelse schaap alleen bekend op Texel en in de provincie Noord-Holland. In de loop van de eerste decennia van de twintigste eeuw kwamen ze in het hele land voor. Was het in de twintiger jaren op de meeste bedrijven nog duidelijk te zien met welke Engelse rassen met gefokt had, na de Tweede Wereldoorlog was dit nergens meer zichtbaar. Een zeer grote mate van uniformiteit was bereikt.

Bron: Bodegraven, D van, Geschiedenis van de schapenhouderij in Nederland in de 20e eeuw, Doetinchem, 1998



--------------------------------------------------------------------------------
Ultrasoon scannen op spierdikte en vetbedekking
Introductie
Sinds enige jaren neemt de belangstelling voor het ultrasoon scannen van lammeren op hun spierdikte en vetbedekking ook in Nederland toe. Door ultrasoon deze kenmerken te bepalen hoeft het dier niet geslacht te worden om meer te weten te komen over de bespiering en de vetbedekking, terwijl er wel betrouwbaar gemeten kan worden.
Doordat ultrasoon scannen gebruikt maakt van hoogfrequente geluidsgolven en niet van straling (zoals bijvoorbeeld Röntgenstraling) bestaat er geen gevaar voor de gezondheid van mens en dier.

Resultaten en bruikbaarheid
Scanresultaten Britse Texelse lammeren
aantal lammeren 50.673
gemiddelde leeftijd 150 dagen
gemiddelde levend gewicht 45,9 kg
gemiddelde spierdikte 28,0 mm
gemiddelde vetbedekking 2,5 mm

Vooral in echte schapenlanden zoals Australië, Nieuw-Zeeland en Groot-Brittannië is er al veel ervaring met het ultrasoon scannen op spierdikte en vetbedekking. Het zijn dan ook die landen waar veel onderzoek is gedaan naar de bruikbaarheid van dit middel voor de fokkerij.
Een in 2004 gepubliceerd onderzoek (H.E. Jones et al., 2004) heeft de resultaten van 50.637 gescande Texelse lammeren bekeken en gekeken naar de betrouwbaarheid van die scangegevens.

In bovengenoemd onderzoek werden lammeren ultrasoon gescand op lendenenspier ter hoogte van de derde lendenwervel. Het blijkt namelijk dat deze plek een goede weergave geeft van de bespiering en redelijke weergave van de vetbedekking op de rest van het lichaam. Op onderstaande afbeelding is de spier benoemd als nummer 2 en de wervel als nummer 1, de vetbedekking als 3 en de huid als 4.



Bronnen:
(1) H.E. Jones et al., Genetic parameters for carcass composition and muscularity in sheep measured by X-ray computer tomography, ultrasound and dissection, Livestock Production Science, 2004, 90:167-169
(2) A. Junkuszew et al., Computer tomography and ultrasound measurement as methods for the prediction of the body composition of lambs, Small Ruminant Research, 2005, 56:121-125



--------------------------------------------------------------------------------
Erfelijke blindheid bij de Blauwe Texelaar

Introductie
De oorsprong van de Blauwe Texelaar is de witte Texelaar. Het enige opvallend verschil is de kleur. Daarmee heeft de Blauwe Texelaar ook het gehele genenpakket van de witte Texelaar meegekregen inclusief de erfelijke blindheid. Erfelijke blindheid is een recessief erfelijk gebrek voor zover bekend rustend op één gen met twee allelen. Het allel B staat voor niet-blind en het allel b voor blind waarbij het B allel dominant is over het b allel. Er zijn drie genotypes, BB, Bb en bb en twee verschijningsvormen, ook wel fenotypes genoemd. Normaal (niet blind) is BB en Bb (dragers) en blind is bb.

Voorkomen
Op basis van de verstrekte informatie is voor 1993 het aantal blindgeboren lammeren geschat op 15 à 16 in ruwweg 4000 lammeren. In 1999 was dat geschatte aantal afgenomen tot 5 à 6 in ruwweg 6000 lammeren om in 2002 uit te komen op 1 lam op ruwweg 8000 lammeren uitgaande van steeds 2 lammeren per werpende ooi. Ondanks de stijging van de stamboekpopulatie is de incidentie duidelijk afgenomen. Op basis van deze aantallen kan een schatting gemaakt worden van de frequentie van het blindheidsallel b. Deze frequentie is gedaald van 6% in 1993 via 3% in 1999 tot 1% in 2002. Dit betekent dat ruwweg 1% van de jongste jaargang nog met het gen is behept terwijl dat bij de oudere jaargangen hoger zal zijn.

Bestrijding
De bestrijding van erfelijke gebreken bestaat over het algemeen uit vier elementen. Het begint met het constateren van het gebrek en het gebrek vervolgens te laten bevestigen door een deskundige. Deze gegevens worden vervolgens geregistreerd in het stamboeksysteem die eens per jaar de resultaten naar de leden toe communiceert.
De beste methode voor het opsporen van dragers is een nakomelingenonderzoek. Zo gauw een blind lam geboren wordt staat immers vast dat beide ouders drager zijn van het bewuste recessieve b allel. Een dergelijk onderzoek is tijdrovend en daarom praktisch alleen uitvoerbaar voor rammen omdat die over het algemeen veel meer nakomelingen verwekken dan ooien. De meeste methoden van nakomelingenonderzoek op erfelijke gebreken vereisen speciale proefparingen en zijn daardoor zeer kostbaar. Dit bezwaar wordt ondervangen bij het paren van een ram met dochters van bekende dragers. Deze methode is op dit moment bij de Blauwe Texelaar nauwelijks meer toe te passen doordat de incidentie van de blindheid daarvoor te laag is. Wat overblijft is de doelmatige registratie van een groot aantal geboorten van een ram. Bij een allel frequentie van meer dan 5% heb je daarvoor altijd nog meer dan 50 worpen nodig. We hebben dan wel alle erfelijke gebreken te pakken. We hebben bij de Blauwe Texelaar al duidelijk een lagere allelfrequentie voor blindheid zodat je nog veel meer worpen nodig zou hebben. Hoe is de erfelijke blindheid dan nog verder terug te dringen?

Hoe verder?
In de eerste plaats vooral doorgaan met het doelmatig en betrouwbaar vastleggen van de blindheid maar ook andere erfelijke gebreken. Op de tweede plaats is er natuurlijk de wens van fokkers bij de aankoop van fokrammen een indicatie te hebben of te krijgen van de kans dat het betrokken fokdier drager is van het blindheidsallel. Handmatig is niet uit te rekenen hoe groot de kans op dragerschap is op basis van het feit dat er in de afstamming van 7 of 10 generaties geen dragers voorkomen. Dit komt doordat er in de afstamming altijd een heleboel zogenaamde lussen of netwerken zitten. Dat wil zeggen dat het dragerschap verschillende generaties kan worden doorgegeven zonder dat deze aanleiding geeft tot blindheid. Het bekende voorbeeld dat een ram die drager is van het blindheidsallel b maar geen blinde nakomelingen verwekt maar dat allel wel aan 50% van zijn nakomelingen doorgeeft. Dit fenomeen wordt vaak de beruchte veenbrand genoemd in de strijd tegen erfelijke gebreken in de schapenfokkerij.
Recent zijn er door het ID-Lelystad computermodellen ontwikkeld die het wel mogelijk maken om voor elk dier in de populatie de kans te berekenen dat het drager is van een erfelijk gebrek zoals blindheid. Een belangrijk punt is de technische aanlevering van de data. Zo moet de afstamming van alle stamboekdieren digitaal beschikbaar zijn, bij voorkeur van voor de tijd dat er vrijveel blinde lammeren werden geboren. Daarbij moet in de afstamming aangegeven zijn welke dieren blind en welke dieren drager waren. Het onderzoek begint met het berekenen van de frequentie van het blindheidsallel voor elke jaargang dieren. Vervolgens wordt voor elk dier in elke jaargang te beginnen in de oudste jaargang de kans berekend op de aanwezigheid van het blindheidsallel. Elk dier krijgt daarbij een startwaarde mee die overeenkomt met de genfrequentie van de betreffende jaargang. Bijvoorbeeld voor de dieren van 2002 is dat een kans van 1% op dragerschap. En al gelang de afstamming stijg of daalt die kans.

Bron: Albert Visscher, ID-Lelystad, in: "De Blauwe Texelaar", contactblad van het S.B.T., december 2002


Noot van de webmaster:
Sinds september 2005 is het mogelijk om middels bloedonderzoek te onderzoeken of schapen wel of niet drager zijn van de blindfactor. Dit onderzoek gebeurt in Nieuw-Zeeland en wordt uitgevoerd door Gezonde Dieren (de vroegere Gezondheidsdienst voor Dieren).



--------------------------------------------------------------------------------
Eerste export
In januari 1993 zijn voor het eerst Blauwe Texelaars geëxporteerd. Zij vonden hun weg naar Ierland, naar de Nederlander H. Heemskerk Pzn. van Heemskerk Ireland Ltd import en export. Zijn bedoeling was om de Blauwe Texelaar in Ierland te gaan promoten.

Bron: Het Schaap, Vakblak voor de schapenhouderij, januari 1993



--------------------------------------------------------------------------------
Artikel "Het Schaap" oktober 1978
In "Het Schaap" van oktober 1978 was een artikel opgenomen van ir. P. Hoogschagen. Hij berichtte over het feit dat er 'blauwe schapen' in Nederland rond liepen. Het bleek om Blauwe Texelaars te gaan. Tien jaar daarvoor ontdekte Ing. A. Oosterbaan, een schapenfokker in Tzummarum (Friesland), dat in zijn kudde Texelse schapen één van zijn ooien een bijzonder gekleurd lam had geworpen. Deze ooi bracht namelijk een drieling ter wereld, waarvan er twee de normale witte kleur hadden, de derde, een ramlam, had een blauw-grijze kleur. Hij fokte verder met dit ramlam.

Toen Oosterbaan het ramlam dekrijp achtte, liet hij een aantal witte Texelse ooien door hem dekken. Het jaar erop werden er meer blauwe dieren geboren. Na zijn ogen eens goed de kost te hebben gegeven zag hij bij een andere schapenfokker ook een blauw lam, dat hij gebruikte met het oog op bloedverversing. Zo slaagde hij erin zijn groep blauwe dieren langzaam uit te breiden tot hij in 1977 twee rammen en acht volwassen ooien had. Door drukke bezigheden met nog vele andere diersoorten was hij echter genoodzaakt zijn kudde blauwe schapen af te stoten. Vijf ooien en één ram gingen naar de naburige fokker S. S. Boelstra in St. Anna Jacobi Parochi (Friesland), de drie andere ooien en eveneens één ram gingen naar een liefhebber, G. van Laar & Zn in Woudenberg (Utrecht).
Langzaam maar zeker groeide het aantal Blauwe Texelaars in Nederland.



Bron: http://www.blauwetexelaar.nl/

Tesselse Natuur - Tuinwal - tuunwool

Tuinwal

Texels: . Zeer kenmerkend voor het buitengebied van Texel.
Gemaakt van op elkaar gestapelde graszoden als afscheiding tussen percelen grasland.
Vinden hun oorsprong in de 17e eeuw.
Tot die tijd werden schapen geweid door herders op gemeenschappelijke heide- en weidegronden.
Schaapherders haalden 's morgens bij de boeren de schapen op, zwierven de gehele dag en avond over de heide- en weidevlakten en brachten 's nachts de dieren bij de eigenaren terug.
Het gebruik stond bekend als de 'overal-weide' en was jaarlijks geldig van 1 augustus tot 1 mei voor alle inwoners, ook zij die geen grond in eigendom hadden.
De eigenlijke grondeigenaren konden dus slechts drie maanden de landerijen gebruiken voor de landbouw.
Deze manier van beweiding was in het gehele land gebruikelijk, maar veel eerder dan in de rest van het land kwam hier op Texel eind 17e en begin 18e eeuw een einde aan. Iedere boer kreeg zijn eigen stuk grond (Texels woord voor grondbezit was 'tuun') en deze werden begrensd door het graven van sloten op de lage gronden en het bouwen van tuinwallen en hekken op de hogere gronden.
De beesten liepen nu niet meer door elkaar en de boeren gingen, door het betere toezicht, de schapen beter observeren en verzorgen.
Ziekten en gebreken vielen zo meer en eerder op.
Mede hierdoor werd de schapenhouderij tot het eind van de 18e eeuw één van de belangrijkste bestaansmiddelen op Texel.
De mooiste tuinwallen in hun natuurlijke omgeving vindt men tegenwoordig op en om de Hoge Berg.

Tesselse Schaap - Das Schaf

Das Schaf

(Im Gespräch mit dem Bauer Pascal Deckenbrunnen, Schafhirte als Hobby)

Das Schaf ist ein Wiederkäuer.
Es ernährt sich hauptsächlich von Gras, im Winter wird es mit Heu und Stroh gefüttert.
Es gibt verschiedene Arten von Schafen z.B.:
Heideschnucken, Wildschaf, Mouflon (Vorfahren der Schafe, die es auch heute noch gibt), Merino-Wollschaf, Schwarzkopf-Fleischschaf, oder auch das Texel-Schaf, von dem wir hier sprechen werden :

Das Texel-Schaf:
Das Texel-Schaf stammt von der Insel Texel in Holland.
Ein Texel Schaf bringt im Durchschnitt 2 Lämmer zur Welt, und das im Frühjahr, während den Monaten Februar und März.
Die ersten 4-6 Wochen ernährt das Lamm sich ausschließlich von der Muttermilch.
Die sogenannte Kofostral-Milch, die erste Milch, die es dabei zu sich nimmt, ist sehr wichtig, denn sie stärkt die Abwehrkräfte des Lammes.

Nutzung des Schafes:
Früher wurden die Schafe hauptsächlich zur Wollgewinnung gehalten, das Fleisch war nebensächlich.
Heute ist es umgekehrt, denn die Wolle wird durch verschiedene Kunstfasern (Nylon,Seide...) ersetzt.
Ab der 10. bis 12. Woche wird es von der Mutter getrennt und frisst nur noch Gras.
Die Milch ist jetzt nicht mehr nahrhaft.
Das Mutterschaf wird Ende Mai bis Mitte Juni geschoren, wegen Ungeziefer in der Wolle und der Hitze.
2 Mal jährlich werden die Klauen geschnitten, im Frühjahr und Herbst.
4-5 Mal im Jahr werden die Schafe geimpft gegen Parasitenbefall.
Im Juni wird Gras gemäht, zur Heuernte, um die Schafe im Winter zu füttern.
Im Oktober-November werden die Lämmer geschlachtet, und die Mutterschafe werden erneut gedeckt.
Der Bock bekommt dabei einen Deckstein an, um den genauen Geburtstermin zu errechnen.
Ein Schaf ist ungefähr 150 Tage trächtig, die jungen Lämmer kommen also wieder im Frühjahr zur Welt.

Tesselse natuur - Vogels

Vogels op Texel

Texelaars noemen hun eiland graag een 'vogeleiland'. Dit is niet ten onrechte: door de relatieve rust en de aanzienlijke variatie aan landschapstypen komen er op Texel veel verschillende vogelsoorten voor. De Vogelwerkgroep Texel telde in 2003 264 verschillende soorten, waarvan ongeveer 120 soorten op het eiland broeden. In totaal zijn er al ongeveer 370 verschillende vogelsoorten in de loop der jaren op Texel gezien, waarvan zo'n 30% uit dwaalgasten bestaat. In augustus 2005 kwamen werden er bijvoorbeeld IJslandse grutto's, een kleine zilverreiger, een kleine plevier, een wespendief en paarse strandloper gesignaleerd. In heel Nederland broeden een kleine 200 verschillende soorten vogels.

Tesselse natuur - Planten

Planten op Texel


De verschillende natuurgebieden op het eiland herbergen allemaal een kenmerkende flora, die verderop in dit hoofdstuk per gebied beschreven wordt.
Op de stranden en strandvlaktes zijn bijvoorbeeld biestarwegras en zeepostelein (de eerste duinvormers) te vinden.
In de zeereep groeien helm, blauwe zeedistel en zeeraket.
Verderop in het duin, in de jonge duinvalleien, groeien veel zeldzame planten, zoals parnassia, gentianen en orchideeën.
De oudere duinen zijn voor een belangrijk deel met heide begroeid, of bebost.
In de Mokbaai, de Slufter en de op de Schorren groeit een typische kweldervegetatie, met bijvoorbeeld zeekraal en lamsoor als kenmerkende soorten.

Tesselse Natuur - Wandelen

Als we wandelen langs
den rechten weg door den polder 'Het Noorden', komen we
eindelijk bij den slaperdijk, waarover de polder Waal-en-
Burg ligt. Ook hier zouden we veel kunnen zien, allereerst
eene uitgebreide broedkolonie van Kokmeeuwen, verder tal
van Rietzangers en Karekieten, die hunne kunstige nestjes
hebben opgehangen tusschen de rietstelen.

Het beekje 'Het Kil' slingert zich voort tusschen oevers met
riet begroeid, waarin broedplaats gevonden wordt voor
Dodaars en Waterhoentje, zoowel als voor Meerkoeten en
allerhande Eendvogels, terwijl in het hooiland weder aller-
hande nesten van weide- en moerasvogels gevonden worden.

De Akkerleeuwerik, die alom tegenwoordig schijnt te zijn,
laat ook hier voortdurend zijne tiereliertonen hooren. In
het veld ziet men een bonte pracht van allerhande bloemen
en tusschen het riet verheft zich de Zwanenbloem, als de
Koningin der moerasflora. Ook voor liefhebbers van visschen
met hengel en zetlijn biedt Waal-en-Burg een goed terrein.

Baars en Voren is er in overvloed vertegenwoordigd en
Snoeken van meer dan 12 ponden zwaar zijn geene zeld-
zaamheid. De palingvisscher Visman heeft hier zijne fuiken
staan en geeft gaarne permissie aan degenen, die hier hun
hart eens willen ophalen. Verschillende Sterns, waarmede
we reeds eerder kennis maakten, zweven boven het water,
en daartusschen ontwaren we ook nog de donker gekleurde
soort, die Zwarte Zeezwaluw of Sterna nigra wordt genoemd.

Tesselse Natuur - Betekenis Bloemen

Carnation: Fascinatie
Chrysant: Vriendschap
Daisy: Loyale liefde
Orchidee: Liefde & Schoonheid
Rode Roos: Romantische liefde (ik houd van je)
Roze Roos: Geheime liefde
Gele Roos: Vriendschap
Witte Roos: Onschuldige liefde (vertrouw me)
Witte & Rode Rozen: Voor altijd samen!
Zwarte Roos: Het is uit!
Zonnebloem: You are splendid
Lelie: Puur & Zacht (je bent lief)
Alstroemeria: Toewijding
Bamboe: Veel succes!
Amarylis: Betoverende schoonheid
Anemoon: Verwachting
Blauw viooltje: Hoopvol
Boterbloem: Kinderlijk
Kerstster: Neem mijn angst weg
Krokus: Misbruik me niet
Vergeet-me-niet: Ware liefde
Iris: Ik heb een boodschap voor jou
Lotusbloem: Vreemde liefde
Rode tulp: Liefdesverklaring
Jasmijn: Sensualiteit
Gele chrysant: Voorzichtige liefde
Vergeet me niet: Ware liefde, goede herinneringen
Jasmijn: Ik hoop dat mijn gevoelens wederzijds zijn
Aster: Symbool der liefde
Azalea: Jouw verlegenheid heeft mij gewonnen
Camellia: Mijn lot ligt in jouw handen, geluk voor de man
Narcis: Als ik bij jouw ben schijnt de zon altijd
Dahlia: Voor altijd de jouwe
Gardenia: Je bent lief, geheime liefde
Hibiscus: Uitzonderlijke schoonheid
Orchidee: Je bent mooi, je vleit me, volwassen
Hyacint: Toewijding
Klaproos: Troost, rijkdom, plezier, succes
Zonnebloem: Je bent fantastisch!
Waterlelie: Puur vanuit het hart
Lavendel: Ik hou van jou als een vriend
Viooltje: Laten we een kansje wagen op geluk, hoopvol
Krokus: Maak geen misbruik van mij, blijheid
Iris: Jouw vriendschap betekent heel veel voor mij
Roos: Ik hou van jou, liefde op het eerste gezicht, eenheid
Pinksterbloem: Vurig, brandend
Tulp: De perfecte liefde
Verbena: Betovering, ontroering, vluchtig liefhebben
Madeliefje: Trouwe liefde, onschuld, deel je gevoelens met mij
Anemoon: Oprechtheid, eenzaam
amarylis trots, uitzonderlijke schoonheid
anemoon eerlijkheid
rode anjer gebroken hart
roze anjer ik zal je nooit vergeten
witte anjer liefdevol, veel geluk
wit/rood gestreepte anjer weigering
anthurium exotische schoonheid
azalea wees voorzichtig
bamboe duurzaamheid, oprechtheid
begonia opgepast
camelia schoonheid
chrysant bedankt (evt. voor vriendschap)
witte chrysant waarheid
clematis innerlijke schoonheid
fresia vertrouwen
gardenia geheime liefde
gladiolen vertrouw mij
hibiscus zeldzame schoonheid
hortensia bedankt voor je begrip
iris wijsheid, vertrouwen, hoop
krokus lente, nieuw begin. Ook:kwets me niet
lelie geluk
witte lelie zuiverheid, puurheid
mimosa gevoeligheid, kwetsbaarheid
petunia ik apprecieer je gezelschap
primula hoop
ranonkel charme
reukerwt subtiel genieten
rode rozen liefde
gele rozen vriendschap of haat, afhankelijk van de situatie
roze rozen jonge/eerste liefde Ook: ik ben nog voorzichtig
witte rozen zuiverheid, onschuld
oranje rozen passionele liefde
witte en rode rozen tesamen eenheid, verbondenheid
witte rozenknoppen je bent te jong voor liefde
tulp faam, succes
rode tulp ik zie je graag
gele tulp onze liefde is onmogelijk
zonnebloem bewondering, kracht, loyaliteit

Tesselse Natuur - Kruiden tegen Pijn

Zonnebrand, niks plezant.

Sint-Janskruid (Hypericum perforatum):
Je bent in slaap gevallen onder een blakende zon. Je huid ziet vuurrood en doet echt wel pijn. Sint-Jansolie is dan een prima middel om de pijn te verzachten en de huid weer vlug te herstellen.
Smeer je niet met deze olie in voor je gaat zonnen. Je zou huidirritaties kunnen krijgen en nog vlugger verbranden.

Lavendel (Lavendula officinalis)
Etherische olie van lavendel helpt je verbrande huid er ook weer snel bovenop. Als het om grote oppervlakten gaat, doe je best wat etherische lavendelolie in uierzalf. Ook die zalf werkt herstellend.

Aardappel (Solanum tuberosum L.):
Aai, kokend hete soep op tere kinderbeentjes…mijn grootvader kwam vroeger dadelijk aanlopen met een aardappel en een mesje. Hij sneed de aardappel in twee en schraapte er wat aardappelmoes van af. Die deed hij op de wonde. De pijn verdween onmiddellijk. Na een tijdje begon dat aardappelschraapsel wat op te drogen en moest de volgende lading erop.

Ui (Allium cepa):
Als je een 'stoom'-brandwonde hebt door onbezonnen boven een pruttelende pot te hangen, hebben we de volgende truc. Plet een ui in een elektrisch molentje, doe er een sprits zout bij en leg dat papje op de rode 'ver-stoomde' plek. Het is een aloude remedie die de pijn verdreef en blaren vermeed.


Pleisterkruiden voor tere plekken:
Hopelijk wandelen jullie met de hele kroost in de zomer. Vol goede voornemens stippel je eerst de wandelweg uit. Je bent nog geen twee km ver of er ligt al een nakomeling tegen de grond, tussen de netels. Of misschien zijn er blaren in zicht na 3 km en zaagt de allerjongste dat hij niet meer kan lopen. Beentjes te moe! Hopelijk brengen de volgende kruiden de oplossing.


Sedum (Telephium L.) en huislook (Sempervivum tectorum):
Als je last hebt van een ontstoken schrammetje, leg dan eens een blaadje sedum of huislook op de zere plek. Doe er eerst het natuur-celofaantje van af en leg de vrijgekomen groene moes op de wonde. Sedum, trekt al het vuil uit de wonde. Hetzelfde kan je doen met huislook

Brandnetel (Urtica):
Brandnetel-prikken doen geen deugd. Rond de brandnetel groeit altijd wel een blaadje dat de pijn kan verzachten. Zoek een blaadje hondsdraf, zuring of weegbree en wrijf dat over de zere plek.

Grote weegbree (Plantago major)
De grote weegbree komt ook goed van pas, als je een blaar op je voet dreigt te krijgen. Wacht niet langer, zoek een breed weegbree-blad, kneus het en leg het op de geïrriteerde huid.

Duizendblad (Achillea millefolium):
Duizendblad is het middeleeuws pleistertje. Als je in die tijd viel, kreeg je eerst wat 'moederkeszalf' op je knie getuft en als dat niet hielp, legde ma een gekneusd duizendblad-blaadje op de wonde. Duizendblad werkt bloedstelpend.

Smeerwortel (Symphitum officinale L.):
Als je tijdens je wandeling valt en je verstuikt één van je steunberen, dan kan dat wreed vervelend zijn. Als er smeerwortel in de buurt staat, kan je de schade beperken. Pluk een ruw behaard smeerwortelblad, kneus het en draai het om de verstuikte plek. Bind er een zakdoek om, maar denk niet dat kees al klaar is. Kruiden zijn geen wondermiddelen. Het genezingsproces wordt wel gestimuleerd. Nog doeltreffender werkt een tube smeerwortelzalf (Symphytum). Die kan je bij de apotheker of in de natuurwinkel kopen.


Tandpijn: help!
Kruidnagel (Syzygium aromaticum):
Met een kruidnageltinctuur op zak kan je de eerste tandpijn hoogstwaarschijnlijk verhelpen. Vergeet echter niet naar de tandarts te gaan. Je kan je tanden niet blijven oplappen met kruidnagel. Kruidnageltinctuur kan je bij de apotheker of in de natuurwinkel krijgen

Tesselse Natuur - Kruiden tegen Insekten

Mieren
Er bestaan natuurlijke middeltjes om mieren een andere weg te wijzen.
Mieren griezelen van peper en muntblaadjes.
Strooi wat peperbolletjes over het mierennetwerk, leg er nog wat pepermuntblaadjes bij en wacht een dag. Mieren griezelen van deze kruiden en nemen de pootjes.


1. Verrekt een insect!

Vlier (Sambucus nigra):
Vlier houdt de vliegen weg. Doe wat vliertakjes af en kneus de bladeren. Steek die takjes overal tussen je kleren of achter de rand van je pet. Je zal veel minder last hebben van die vervelende, vliegende brommers.
Gekneusde basilicumblaadjes helpen ook.

Rozemarijn: (Rosmarinus officinalis)
Rozemarijntakjes op de houtskooltjes van je barbecue houden de insecten op afstand.
Leverkruid (Eupatorium cannabinum):
Als je last hebt van wespen, verbrand dan leverkruidblaadjes. Daar moeten die beestjes niks van hebben.

Kruidnagel (Syzygium aromaticum):
Overgiet enkele kruidnagels in een vuurvast schoteltje met kokend water. Zet het schoteltje zo op tafel. Wespen zoeken andere oorden op.

Koffie:
Doe een beetje koffie op een stukje zilverpapier en leg dat op een theeverwarmer. Doe het kaarsje aan en laat de koffie smeulen. De wespen vertrekken als de bliksem.

Lavendel etherische olie:
Ook lavendel kan helpen. Er zijn heel wat lavendelsoorten. Zo heb je (Lavendula latifolia) of spijk genoemd. De ene etherische olie is de andere niet. Zo heeft de Franse spijkolie de reputatie een meer delicate en aromatische geur te hebben dan de Spaanse variëteit. De kwaliteit van je olie speelt zeker mee om succes te hebben.

Citronella etherische olie:
Citronella (Cymbopogon nardus), is een grassoort. Het is vast, aromatisch gras. In Sri Lanka komt het in het wild voor. Daar noemen ze het ‘managras’.
Samen met Virginia cederhoutolie heeft het jarenlang dienst gedaan als muggenwerend middel.
Zorg ervoor dat je altijd een flesje etherische olie van citronella en cederhout olie op zak hebt. Doe een druppeltje op je haren of je kledij. Muggen moeten daar niet veel van hebben.

Tesselse Dialekt - Verschil

Op Tessel kan men onderscheid maken tussen het dialect van De Cocksdorp (Eierlandse polder) en de dialecten der overige Tesselse dorpen (Oudeschild, Den Hoorn, Den Burg, De Waal, de Koog en Oosterend), die onderling veel minder afwijken.
De naaf van het wiel heet bijv. op Tessel evenals in N.-Holland deut, maar in De-Cocksdorp als in Z.-Holland domp.
De verklaring is hierin te zoeken.
De Cocksdorp is pas in 1835 bedijkt en de aannemers van de bedijking kwamen uit Giesendam, Hardingsveld, Ameide en Rotterdam.
Zij zullen hun werkvolk en verdere ‘kolonisten’ wel hebben aangetrokken uit hun eigen Zuidhollandse omgeving.

Tessels Dialekt - Tessel of Texel

Vraag
Schrijf je Tessel of Texel en hoe spreek je het uit?

Antwoord
Je schrijft Texel en je zegt [tes∂l]. De uitspraak [teks∂l] komt overigens veel voor.

Toelichting
Al eeuwenlang is de gangbare spelling van het desbetreffende eiland Texel.
In geschriften uit de zeventiende eeuw komt ook nog wel Tessel voor, evenals in de Bosatlas van 1939, die anticipeerde op een aanpassing van de schrijfwijze van Nederlandse gemeentenamen (Kuik, Bokstel e.d.).
De naam Texel is afgeleid van het Germaanse woord tehswa, dat 'rechts' betekent.

Tessels Dialekt - De Skepping op Tessel

DE SKEPPING OP TESSEL.

Jullie hewwe vanzellef allegaar 't skeppingsverhaal welderes hoord, maar ik denk toch da'k jullie d'r nag wel een neuwtje over vertelle ken.
De mense seege altóós dat 't beurd is erreges in 't óóste, 't zow kenne hoor, maar dan je moet maares acht geeve op de tullevisie asseze ze 't over zok soort lande hewwe.
Niks as stuufsand, net as in de kop van de Slufter of op de Helledam bee paal zeuvetien.
En allegaar van die gróóte stiene, nou, as je dat een parredijs noeme moet.
Ajje effies nagaat ken d'r eigelijk maar íen plek weeze weer 't parredijs leid heb.
Fraag maares an de bruugom over Weegeswéél en over de nolle bee 't Horretje, of an de bruud over de Knieneberg en de Beneerskeete Nol.
Nou beste mense, zóó ging 't dan, gaan d'r maares skrep voor zitte, want het duurt wel een hortje.
In 't begin was d'r hillegaar niks.
Doe docht God: ik gloof dot ik de wereld maares moest gaan te skeppe.
Hee perbeerde van olles wat, maar hee kon gien hand foor sien óóge sien.
Vergeeme, docht ie, ik wow dat 't licht was.
En geliek floepte het licht an.
Nou, docht God, as 't zóó makkelijk gaat ken ik d'r in dezelfde veert nag wel wat bee doen, want hee had metien ol sien dat 't een gróóte rotzooi was, niks as blubber en kloddigheid en zóó.
Eerst maares 't sand en 't water uut mekaar haale, docht God, en hee in de weer met een kreuwage en een boesemskop.
Hee had er nag een hééle kluuf an, doe 't éévend was hod ie sien eige temeeste puur in 't swéét werrekt.
Maar hee sag wel dat 't d'r gnap bee lag.
En hee docht: voor vedaag ken 't wel toe, want as ik de skrift geloove mag hèèw ik nag 'n drokke week foor de boeg.
Laat ik beginne d'r eerst nag maares een nachie over te sléépe.
En aaredaags maakte ie 't sontje, 't maantje en de sterre.
Hee was d'r puur mee in 't skik en begon een dag d'r na met 't maake van de bóóme, 't gros en de blompies.
't Begint er stadig-an aardig op te lieke, docht God. Hee keek om 'em heen, en see bee sien eige: ik zow toch welders wat aars hoore wille as allienig 't suuze van de zéé en dot ge-onweer in de lucht.
D'r moste maares wat bééste bee komme.
Hee zat net op Noortaffel, deer heije van die taaie liem in de grond, en deer pruste ie allegaar bééste van.
Hee het 'em bepaald nag puur uutslóófd ok, kiek maar d'ers wat foor een gat of die liemkuul nag is. Keije nagaan.
Hee het 'em trouwes nag wel wat verkeeke ok, want ajje docht dat 't allien maar gnappe plante en bééste worre waare, hee je 't mooi mis.
D'r groeide overol nag fuulte en alderhande ontuug.
Van die krenge van jaapetakke en skaters en kruupgrosbolle.
En rotbééste dat er bee wazze! Harremelinge en van die smerige sullevermeeuwe - die luuzeharreke steele weer je bee staat de eier uut 't kiepehok - en dan hod je nag van die groene wurremeskijters en skéépetieke.
Hewwe jullie welders zo'n skéépetiek had?
Ik weet nag da'k er ientje op mien rèèg had.
Ik docht, ik hèèw een jokpukkel op mien reeg.
En ik maar taake.
Moeder see: laat ers kieke, doen je vrok 'eres omhóóg.
Nou en doe plokte ze d'r zo'n bonzeling af, nag gróóter as een grééuwe ert.
Moeder griêsde d'r van.
Ik d'er mee naar 't stréétje foor de skuur en onder de hak van mien klomp.
Doe borst ie as ien poad uut mekaar.
De bloedspetters zotte an me aare sok.
Maar deer hodde we 't hillegaar niet over.
We hadde 't over de bééste die God maakt had. Nou, deer was ie bepaald gauw op uutkeeke, want doe ie wat rondliep docht ie: 't liekt hier wel uutsturreve, je komt gien mens teuge.
En doe wist ie metien wat of nag doen wou.
Hee haalde een zootje tesselse blauwe koek bee Jannetje van Sieme Steek in de Gastestréét, nou en dat goed was taai genog om 'r een poppie van te kneeje.
En doe God deermee klaar was, blaasde ie sien asem in de neus van dat poppie, zóó dat ie levend wier.
Doe see God: Adam worres wakker, en hee pieuwde 'em zóó met sien finger in z'n buuk dat er een kuultje in kwam.
Dat kuultje zit er trouwes nou nág, foele jullie zellef maares bij je eige.
Doe see God teuge Adam; hier zit je achter in de Weste en beije hillegaar op je ientje en je eige baas.
Je mag overal ankomme en alles plokke weer of je zin in heb.
Allien in 't bossie op de Hóóge Berreg, deer staat een boom en die is van mee, deer moet je ofbluuve, niet ankomme, want aars ga je dóód. Nou, see Adam: dankiewel God, en over die iene bóóm zit deer nou maar niet over in, want 'k heew zóó al sat.
Adam had een leevetje as een luus op een seer hóófd, hij hoefde enkeld af en toe eres te kieke as er gien skéép verwenteld lei.
Zellefs met ramlóópe in de skéépelammeree hoefde ie er niet achteran.
Zokzowat ging doe allegaar nag vanzellef.
Allien met 't skeere had ie 't wel wat drok, maar voorders kon ie 't makkelijk bestruukele.
Zo nou en dan kwam God ers om róókie en op een keer see Adam teugen 'em: 'k hèèw 't hier best hoor, maar 'k foel me welders wat allienig en een beetje wéés.
Dan moet je nou maares kieke wat ik allegaar maakt heb, see God en doe liet ie alle bééste die die maakt had bee Adam langs lóópe en vliege en kruupe.
Adam gaf ze allegaar een naam, maar doe ie d'r mee perbeerde te praate piepte en skreeuwde ze maar wat, en deeje ze voorders gien bek oope. God sag wel dat ie 't aars anlegge most.
Nachs lag Adam te sléépe as een os.
Hee was vezellef dóódop van al die naamegeveree.
Doe haalde God 'em een rib uut sien lief, sonder dat 't seer dee.
Deer ken ik wat moois van maake, docht God.
Hee zot er nag puur zo'n tiedje mee te prusse, want je ken dan God weeze, maar om van zo'n krom bonkie een gnap meike te maake, gloof maar gerust dat deer héél wat foor kieke komt.
Doe die 't foormekaar had, porde ie Adam wakker en see: kom ers te kieke of dut je meskien anstaat. God allemachtig, see Adam, ik had 't nooit achter je socht dat je zokke dinkies ok maake kon.
Ik ken wel sien dat je d'r aardig kiek op heb.
Weija, see God, en dot is nag niet alles.
In 't vervolg magge jullie saame zellef ok van zukke dinkies maake.
Nou deer had Adam niks op teuge, keije begriepe, want hee had allang sien hoe of 't bee de skéépe ging, en Eva hoefde ie niet letterwies te maake, want dat had God d'r geliek alvast bee inbakke.
'k Zow eigelijk best wille dat je geliek bee mee in huus weune kwam, see Adam teuge Eva.
Nou dat wow Eva best, maar, see ze, dan moste we toch eerst gnap trouwd weeze om gien praatjes te krigge bee de aare mense.
Aare mense, aare mense, see Adam, d'r benne hier hillegaar gien aare mense.
Néé, see Eva, maar die komme d'r vast gauw genog, begriep je dat dan niet?
God gniesde ers doe ie dat allegaar anhoorde en see: nou deer is doen an, segge jullie maar ja teuge mekaar, dot ik 't goed hoore ken, meer is niet nóódig, want 'k sien wel dat jullie veul haast hewwe.
Nou, om dat te sien hoef je gien God te weeze.
En omdat 't nou wat te spannend wordt slaan 'k maar een maand of wat over.
En doe wier 't Pinksterdrie.
Eva wos na de lammeremarkt na 't bossie op de Hóóge Berreg gaan.
Ze had een zak saussies en een fles bessesap bee d'r en zat mooi plat'opt gat op de Engelse stien saussies te doppe, en doe hoorde ze iniene praate. Adam kon 't niet weeze, docht ze, want die zow eerste nag naar de haave om sien skéépe af te skeepe.
Nou was Eva voor de duvel niet bang - achteraf had ze dat meskien beter wel weeze kenne, maar ja, van achtere kiek je een koe in sien kont - want 't was de duvel en die zot verskoole in een slang in een bóómpie.
Juust ja, in die iene bóóm, weer of ze af bluuve zowe.
En hee maar te flieme teuge Eva: zo van dat ie wel sien kon dat ze 't best hod bee Adam en dat ze strakkies een kiendje krigge most.
Eva was zok geflikflooi hillegaar niet wend, en ze liet heur zommaar inpolleme.
Toen ie d'r ien keer zo veert had, begon ie d'r van alles wies te maake, zóó van: dat ze niet zoveul naar Adam en God luustere moest, want die wouwe d'r allienig maar wat stom houwe en zóó, zok soort rooie vrouwepraatjes, dat had je doe ok al.
Eva liet d'r eige hillegaar omlelle om van die appel te eete, want deer was 't de duvel vezellef om te doen.
Krek doe ze de eerste hap deurslokte kwam Adam d'r an.
Hee verskoot en see teuge Eva: je zit toch zeker niet van die appele te snobbe?
Wejajek see Eva, weerom niet?
En ze benne nag best ok, 'k ben d'r al hóóp wiezer van worre.
'k Denk dat jee d'r ok best ientje eete ken, of durref je meskien niet?
Afijn, die drol van een Adam die wou sien eige gróót houwe, en doe was 't beurd.
Metien begon 't gesodemieter: sie je niet dat ik geniens wat hèèw om an te trekke?, see Eva, en zellef lóóp je d'r ok skaamtelóós bee.
Seg dat, see Adam, 't is niet veul gezicht met zo'n buuk, we moste d'r maar wat foor hange.
En ze plokten een paar bossies ruugte, sochte de brandenekels d'r wat uut en maakte d'r een skóótje van.
En doe hoorde ze God ankomme.
Hou je duuk, see Adam, as God ons siet zelle de reepe wel gaar weeze.
Ze kroope weg in een bossie want ze zotte puur in de skijt.
Weer benne jullie, doene jullie van wegkruupie? riep God doe die ze niet metien fiende kon.
Néé, see Adam, maar we skaame oons omdatte we nakend benne.
Maar as God sien best doet, siet alles, en geliek sag ie ok die afkloove klokhuuze legge en doe wist ie wel hoe laat of 't was.
Hee riep ze beijemaal bee 'em en see: jullie begriepe zeker wel dotte jullie vanaf nou bee mee uut de pollemetaasie benne.
Hier hewwe jullie nag een paar knienehuudjes om an te doen, en nou van lóópe.
En ás ze lóópe wouwe.
Achter 't Noordflak kwamme ze te weune in een zóónekeet.
En de skéépe konne riezetakke freete, en die stomme bééste hadde geniens wat déén.
En doe pakte God de slang bee zien steert, gieuwerde 'em een keer of wat boove sien hóófd en liet 'em doe los.
Weer of ie héél terecht komme is weet gien mens, maar op Tessel hewwe ze nooit een slang meer sien!

(Tesselse klassieker bij bruiloften en partijen, maker onbekend.)

Tessels Dialekt - Skeppingsverhaal

SKEPPINGSVERHAAL op sien tessels aare verzie


1e dag In 't begin wos 't woord 't Woord en 't licht 't Licht, maar de eerde lag d'r doe nag bar donkerd en kaal bee. God, die deer allang erreg in had had, stak op een blaauwe dag de groote lamp an - deer wee nou nag Sontje teuge segge. Hee stak ok nag een heele zoo keersies en skemerlampies an - weer wee nou sterre teuge segge. God sag dot olles op tied an en uut gong, en hee sag ok dot 't tied was om te bed te gaan. Hee wos tevreeje dat de kop er of was, de eerste dag wos achter de reg en morrege kwam er weer ien.
2e dag Doe God aaredaags wakker wier, sag ie uut sien sleepkamerraampie dot 't overal nag een groote troep wos. Hee begon hier en deer groote gaate te steeke, liet 't water d'r in loope en see: 'Jullie benne de zee.' Hee roerde d'r met sien grote hande in, en zoo is de zee an sien eeuwige deining komme, weere wee nou nag hoogteej en leegteej teuge segge. Hoe offe we komme benne an die groote hoope stiene, die over de heele wereld verspreid legge en weer wee nou nag berrege teuge segge, dot heb ie niet opskreeve, want God wos zoo moéd as een maaier van al die skepperee, hee skee der mee uut en wos blied dot ie na sien béd kon. De twiede dag wos achter de reg.
3e dag God wier op de dorde dag nagal latig wakker, omdat ie sien eige versleepe hod. 't Wos al teuge koppiestied dot ie weer an 't skeppe raakte. Hee maakte lange biene en deerna ollegaar visse, groote zoo as haaie en kleine zoo as stiekelbaarsies, en ok aare bééste die zwemme konne, zééhonde en meer van zuks. Hee gooide ze allegaar achter sien huus in de sloot en see: 'Niet verzuupe: zwemme!.' En verdomd, ze perbeerden 't en 't gong, of ze nooit aars déén hodde. En zoo raakte de dorde dag skeppendeweg verbee, en God beties te bed.
4e dag De vierde dag docht God: wat zel ik nou eres uutfreete. Hee zot al een tiedje te broede en foor 'em uut te kieke, en gong doe na sien skuur om te sien of deer an seed en aare groeieree nag wot uut te soeke wos. Hee dee eerst maar een klampie boome, dan skoot 't op: wat appel- en peereboome, en wat eeke en fleere en popeliere. En deerna allerhande aare groenigheid en ruugte en ontuug, van alles wot, en eerdebeije, andijvie, geele kool, poepekóól en irrepels. Je kon 't zó gek niet bedenke of hee skiep 't. Hee sag dot alles groeide en bloeide en teuge de eevend hod ie hillegaar groêne fingers en doe docht ie: ik skei er mee uut, want ik hew nag drie daage de tied.
5e dag De vijfde dag skiep God ollegaar bééste, met en sonder steert, op twie of vier poote, wilde en makke beeste, leeuwe en tijgers, kotte en kottemunneke, lieuwe en kenariefeugels, pappegaaie, kiepe en heende, rupse en pissebedde en vanzelf ok van die rottige langpooters en poepemigge. Hee joeg ze de wereld op en see: 'Vort, moeve, jullie redde je kont maar.' En verdomd, 'ze deejen 't. God wos na dut karwei zoó gos gruuweleke speemoêd worre, dot ie al geliek na 't weerpraatje te bed gong. Hee wachtte geniense seg'eres A of, zoo fergemes lui was die. Maar wel dot ie sien wekker op zes zette, want hee wou d'r op tied uut. Dot is vijf, docht God. Hee draaiden 'em op sien zee, dee sien ooge dicht en lee geliek te knorre.
6e dag Metien doe sogges de wekker rinkelde, stapte God met sien bloote biene op 't kouwe zeil en begon weer fan foorewies of te skeppe, maar deuze keer gien bééste of boome, wel ninnet, heel wat aars. Hee pakte een grote bonk liêm, deed deer een teiltje welwater bee en zetten 't op een kniepe en kneeje. Net zolang dat ie d'r een soortement pop van maakt hod. Hee blaasde d'res teuge an en see: 'Jee ben Adam.' Hee liet hem 't parredees in gaf hem 'n pittig spultje met een paar bunder land. Hee kreeg d'r ok nag een déél gaasbakke, een trekker en een zak of wat plantgoed bee. Adam was merakels blied met sien spultje en dankte God op sien blote knieë foor de heele reutemeteut. God see 'em gedag en gong op huus an. Die nacht dot Adam te sleepe lag, zaagde God em stiekem een rib uut se liêf. En deer het ie doe nag een merakels pittig meisie fan maakt, weer ie Eva teuge see. Hee lee der naast Adam neer en see: 'Jullie redden 't wel met sien twietjes.' En dot hod ie goed skoote. Adam was ferleege blied met Eva, en Eva trouwes ok met Adam.
7e dag Aaredaags was 't Sundag, dot kwam God best te pas, want don kon ie wat uutzakke van al die skepperee en sien gereeskap an kant brenge. Hee heb sien skop in 't vet zet en in de skuur brocht. Deerna heb ie een hassebassie noome en een groote segaar opstooke en er'es een tiedje tevreeje zitte kieke naar olles wot ie in mekaar flansd hod. Adam steerte onderwijl heel wat óf mit Eva. 't Zel weeks der na weest hewwe, dat ie op sien spultje an 't grippele wos, dewijl Eva 'n maaltje eerdebeéje sting te plokke. In iene glee d'r uut een boom een slang na beneeje, wéér de duvel inkroope was. Die slang seide teuge Eva: 'Heu meidje' en Eva see ok: 'Heu slang.' 'Hei je eigelijk welders van die skoftig lekkere koksies eten?' vroeg de slang. 'Beeije wies', see Eva, 'deer magge wee fon God niet ankomme, want die bóóm is fan sien eige.' 'Meid, dat benne allegaar smoessies. 't Benne zokke merakels beste appels, en hee ken ze toch niet ollegaar allienig opeete.' Afijn, je ken wel raade wat er beurd is. Eva gong op der toone staan en plokte een appel fan de bóóm. De slang lag op een achteraffie te gnuuve om Eva, dat die der zo mooi invloóge was en nerreges gien erreg in had. S'ééves toe ze beijemaal tuus wozze, hewwe ze met sien twietjes die appel tot 't klokhuus ofkloove. Dat hadde ze nouw niet doen moete. Deer hodde ze God op sien eksteroog trapt. Hee had nag zoo seid: 'Jullie kenne olles kregge, maar je bluuft met je poote fon die koksies of.' God wier zo poestig, dat hee haalde d'r zo'n lomp sterreke engel bee met een róódgloerend sweerd, en saame hewwe ze doe dot stel uut d'r parredees jaagd. En zo is 't komme dat wee ons eige alle daage te borste werreke moete, om de vrouwe tevreeje te houwe en foor azze we bevoorbeeld 'ers een kissie van zokke rotappeltjes op de marrekt kóópe wille.

Het Open Boek Texel

Tesselse Dialekt - namen voor vogels

Texelse dialectnamen voor vogels

Ontleend aan de Gids voor de vogels van Texel

'Je heb mense en katuule, maar katuule 't méést'

Aakster ekster. Heeft (net als de kraai) een slechte naam, omdat hij eieren en jongen van bijvoorbeeld bergeenden en fazanten pakt. Nesten werden vroeger door jagers en stropers zo veel mogelijk opgeruimd.

Een skrééuw-aakster is een vlaamse gaai.

Berregheend bergeend. Iemand die kwaad is 'zit te blaaze as een berregheend', dus zoals het wijfje indringers afschrikt als ze op het nest wordt verrast.

Blaauwborsie heggemus. De kop en de borst zijn blauwgrijs. 'Blaauw' is hier misschien gebruikt in de betekenis van grauw, saai of somber, zoals in 'een blaauwe dag'. Het echte blauwborstje komt wel op Texel voor, maar is vrij zeldzaam.

Blaauwe duuf holenduif. Wordt ook holduufie genoemd.

Blaauwe Jaap blauwe reiger. 'Weer een reiger staat, deer zit een ééltje', zegt men. Reigers duiken niet naar vis, ze staan roerloos in het water en grijpen hun prooi als die in de buurt komt. Verondersteld wordt dat ze onder water met hun tenen (die op wormen lijken) bewegen en zo de vis misleiden. Vroeger dacht men dat de vis op de geur van de reigerpoten af kwam. Hengelaars meenden meer te vangen als ze hun aas met het vet van reigers insmeerden.
In het Tessels is 'speeje as een reiger' braken, 'skijte as een reiger' spreekt voor zich.

Blaauwwaterstoar, blaauwstoar zwarte stern. Stoar betekent ster.

Bokkie bokje en watersnip. Werden al in de 18e eeuw door boeren zo genoemd.

Boommos ringmus (heet ook ringmos)

Borremsijsie barmsijsje.

Bosterd nagtegaal spotvogel. Heet op Texel ook wilde kenarie. De bastaardnagtegaal of heggemus wordt hier blaauwborsie genoemd.

Bosuul ransuil. Heet ook gróóte katuul.
De echte bosuil komt op Texel niet voor.

Botkol, botslokker, botskollever aalscholver. Heet op Texel ook ook konteklopper. In de 16e eeuw werden aalscholvers afgericht en voor de visvangst gebruikt. Langs de Waddenkust vangen ze o.a. bot. Bij botkol komt 'kol' misschien van het Tesselse woord voor heks
of oud wijf en zou dan op het uiterlijk betrekking hebben.

Braamsluuper bosrietzanger. De naam wordt niet gebruikt voor de braamsluiper (die kwam vroeger op Texel weinig voor).

Diekzwaluw oeverzwaluw. Maakt zijn nesthol o.a. in oude dijken en tuinwallen.

Doorefeugeltje grasmus. Heet ook gewoon grasmos.

Dubbelde liester grote lijster.

Dubbelde vroek bontbekplevier (wordt ook gliend genoemd). Een vroekie is de Tesselse naam voor een strandplevier.

Duukertje dodaars (ook kleine duuker)

Duumpie goudhaantje en winterkoning.
Allebei heel kleine vogeltjes.

Duunpiepertje graspieper. Heeft ook de namen kantlieuwerik en vinkie.

Eider eidereend.

Fluiter merel. Met fluiter wordt bedoeld het mannetje met oranje snavel. Zie ook swarte tjakker en grééuwe tjakker.

Fliegefanger grauwe (grééuwe) vliegenvanger

Geelborsie, gele skrééuwerd gele kwik-
staart. Heeft ook de naam wilde kenarie.

Gele vink groenling.

Gliend bontbekplevier (dubbele vroek) De naam zou een klanknabootsing zijn van de roep.

Gors rietgors (heet ook wel rietmos)

Gouw wielewaal. Zo genoemd vanwege de goudkleur. De naam wielewaal wordt op Texel soms gebruikt voor een andere soort: de grauwe klauwier.

Grasmos grasmus. Heet ook doorefeugeltje.

Grééuwe fliegefanger grauwe vliegenvanger.

Grééuwe klauwier grauwe klauwier. Wordt soms wielewaal genoemd.

Grééuwe tjakker merel (het wijfje). Zie fluiter en swarte tjakker.

Grieto grutto. Heet op Texel meestal marel.

Grieze kwiksteert witte kwikstaart en rouwkwikstaart (heet ook peerdewachtertje)

Gróóte duuker fuut. Heeft ook de namen keizer, heringsliender en (soms) kragemaker.

Gróóte katuul ransuil. Wordt ook bosuul genoemd. De naam katuul wordt algemeen voor uilen gebruikt, maar vooral voor de velduil.

Gróóte kuukedief bruine kiekendief (krijgt meestal de naam skor en soms muuzebieter).

Gróóte meeuw zilvermeeuw (heet ook kok-
meeuw en sullevermeeuw) De stormmeeuw wordt kleine meeuw genoemd. Als je boven zee een groep meeuwen druk bezig ziet, is dat een teken dat er makreel voor de kust zit. Op open water trekken vissers de conclusie dat er sardien of bliek te vangen is, en dat ze hun net hoog moeten uit zetten. Soms zijn meeuwen achter een schip opvallend hongerig en druk roepend. Dan wordt het ander weer.

Gróótstoar grote stern (heet ook kaugek)
De naam (middel)stoar wordt gebruikt voor de noordse stern en de visdief, kleinstoar voor de dwergstern.

Halleve wullep regenwulp (kleine wullep).

Havikkie torenvalk. Heeft ook de naam muuzefanger.

Heend eend. 'Een heend en een waard benne niks waard, maar een heend allien is een edele stien'. Met 'heendekuukeltjesweer' wordt zacht, zoel voorjaarsweer bedoeld. Bij een nest met eieren spreekt men van 'een potje heenseier'.
De eieren smaken overigens 'altoos een beetje vissig'. Gretig eten is in het dialect 'eete as een heend op een gersie'.

Heringsliender fuut (heet ook gróóte duuker, keizer en soms kragemaker). De naam betekent letterlijk haring-verslinder.

Hoannie zeekoet.

Holduufie holenduif. Wordt ook blaauwe duuf genoemd.

Houtduuf houtduif.

Huuszwaluw huiszwaluw.

Kantlieuwerik graspieper. Ook de namen piepertje en vinkie komen voor. De soort broedt graag in slootkanten en tegen tuinwallen en andere hellingen, vandaar de naam.

Kapmeeuw kokmeeuw. Heet ook swart-
kopmeeuw.

Karrekiet kleine karekiet.

Katuul velduil en andere uilensoorten. 'Je heb mense en katuule (maar katuule 't méést)' betekent: onzelieveheer heeft vreemde kostgangers. De naam gróóte katuul wordt gebruikt voor de ransuil.

Kaugek grote stern (heet ook gróótstoar)
Is waarschijnlijk klanknabootsing van de roep. Lijkt op franse naam 'sterne caugek'.

Ketellapper koperwiek en zanglijster. Ketellapper of koperslager is een oude beroepsnaam voor iemand die koperen voorwerpen herstelt.

Keizer fuut. Heet ook heringsliender en gróóte duuker, soms kragemaker.

Kiewiet, kieft kievit Kieft wordt alleen gebruikt in de uitdrukking 'lóópe as een kieft'. Men spreekt van 'een bakkie' kiewies-eier. 'Een mooi wijfie' heet een kievitswijfje waarvan je aan de manier van vliegen zien kunt dat ze eieren heeft. Een kiewiet vliegt niet van het nest maar 'spat' er af. Een eierzoeker kon in de rand van zijn pet hooguit 18 eieren bergen. Met de pet in de hand konden er in het midden nog een stuk of tien bij, maar dat was natuurlijk wel oppassen bij het slootje springen.

Kleine duuker dodaars (heet ook duukertje).

Kleine (kok)meeuw stormmeeuw. 'Zo mak as een meeuwtje', zegt men op Texel. De gróóte meeuw is de zilvermeeuw.

Kleine wuIlep regenwulp. Heet ook halleve wullep.

Kleinstoar, klikstoar dwergstern.

Koekuut koekoek (heet op Texel ook noordewiendskrééuwer). Een koekuut is in het Tessels een lummel, een sul. 'Dat raadt je de koekuut' betekent: wis en waarachtig.

Koet meerkoet. Een 'stomme koet' is een trut. De Koetebuurt is een naam van een oude straat in Oosterend. Of die naam iets met de vogel te maken heeft, valt te betwijfelen.

Kollekedotter spreeuw (alleen de nestjongen) Een kadodder is een pas uitgebroed, uit het nest gevallen vogeltje. Het voorvoegsel 'kolle' komt waarschijnlijk van 'kale', misschien van 'kol' (is heks of oud wijf). De spreeuw wordt ook wel skijter genoemd.

Kokmeeuw zilvermeeuw. Iemand die schrokkend eet, heeft 'een keel as een kokmeeuw'.
De zilvermeeuw wordt ook gróóte meeuw genoemd en gewoon sullevermeeuw.

Konteklopper aalscholver. De naam komt van de manier waarop hij er bij verstoring als een speedboot vandoor gaat. Als hij zich heeft volgegeten, is hij zo zwaar dat hij amper op de wieken kan komen. Hij richt zich op en maakt zich uit de voeten, maar komt niet omhoog.
AI klapperend blijft hij met zijn kont in het water hangen. De vogel heet ook botskollever, botslokker en botkol.

Kraakheend krakeend.

Kragemaker, kragedrééger kemphaan, de naam kragemaker wordt soms ook voor de fuut. In de baltsperiode zetten mannetjes een 'kraag' op om te imponeren. Vechten als een kemphaan is in het Tessels 'vechte as een kragemaker'.

Kransfeugel beflijster. Heeft deze naam vanwege de witte krans op zijn borst.

Kwartel kwartelkoning

Kwiksteertje witte kwikstaart en rouwkwikstaart. Wordt ook grieze kwiksteert en peerdewachtertje genoemd.

Kuukedief kiekendiefsoorten (zie skor, muuzebieter, witsteertskor en gróóte kuuke-dief). Hij pakt o.a. kuikens, vandaar de naam.

Langsteert fazant. Heet ook gewoon fezant,
en de jongen fezantekuukels. Met lichte maan waren de dieren voor stropers niet moeilijk te vangen: 'als je ze wist te zitten, greep je ze zo uit de boom'. Op de vraag of ie nog wat bijzonders had gezien, antwoordde iemand: 'Niks as langsteerte, een kiepehok en wat luure an de lient'.

Liester zanglijster. 'Liesterweer' is het in oktober bij heldere lucht. Dan valt lijstertrek te verwachten. Lijsters werden vroeger veelvuldig gevangen met een paardeharen strik in een 'boochie' van wilgetakken. Dat kon nog aardig wat opbrengen. Het kwam wel voor dat een boer er na een periode van sterke trek een koe aan over hield.

Lieuw scholekster. Waarschijnlijk zo genoemd vanwege zijn roep 'klieuw-klieuw'. Als scholeksters met nat weer allemaal druk roepen ('druup-druup' voor wie het horen wil), is dat een teken dat het de hele dag regenachtig blijft.

Lieuwerik(kie) veldleeuwerik. Iemand zit behaaglijk 'as een lieuwerik in 't zeujersontje'. Brandewijn schenken heet 'de lieuwerik rond gaan laate'. Een 'lieuwerdelaauw' is een goeie sul.

Marel grutto. Marel is waarschijnlijk verwant aan het woord moor (slik, modder, veengrond), het gebied waar de vogel zich vaak ophoudt.
De naam zou ook betrekking kunnen hebben op de kleur. De vogel wordt soms grieto genoemd, maar minder algemeen.

Middelstoar visdief, noordse stern
(zieook bij stoar).

Moale mok noordse stormvogel. Volgt vaak visserschepen. Heeft een vrij stompe snavel en eet voornamelijk de zachte delen (darmen en lever) uit de vis.

Mos huismus (een oudere naam is slet).

Muuzebieter bruine kiekendief. Heet meestal skor en soms kuukedief.

Muuzefanger torenvalk. Wordt vaker havikkie genoemd.

Noordewiendroeper, noordewiendblazer, noordewiendskrééuwer koekoek. Kondigt met zijn roep de noordewind aan. Heet op Texel ook koekuut.

Peerdewachtertje witte kwikstaart en rouw-kwikstaart (niet de gele dus, maar de 'grieze') Ze zijn op het land vaak in de buurt van vee te vinden, vooral van paarden. Paardeharen gebruiken ze voor in hun nestjes. Als boeren vroeger even stopten met eggen of ploegen, bleven de vogeltjes bij de paarden wachten.

Pielsteert pijlstaart.

Piepertje graspieper. Heet ook duunpiepertje, vinkie en kantlieuwerik.

Piepepluuzer, pieperager wulp. Van in het veld gevonden schedels werd de snavel gebruikt om pijpen mee schoon te krabben. De soort heet ook reegefluiter, maar meestal gewoon wullep.

Reegefiuiter, reegemaker wulp. Als je de dieren hoort fluiten na een periode van droogte, is er regen op komst.
De wulp heet ook piepepluuzer.

Rietdomp roerdomp.

Riethen, rietkip waterhoen (ook waterkip).

Rietmos rietgors (meestal kortweg gors).

Ringmos ringmus. Heeft op het eiland ook de naam boommos.

Roggebieter tuinfluiter. De naam zou betrekking hebben op de eieren, niet op het gedrag (volgens Drijver)

Róódborsie roodborst.

Róódsteertje gekraagde en zwarte roodstaart.

Sandlóópertje strandplevier. De naam vroekie wordt ook gebruikt.

Skeetejager kleine en grote jager. Voedt zich met prooien van vooral sterns. De sterns worden opgejaagd en laten in hun nervositeit hun prooi vallen of braken een pas verorberde vis weer uit. Die wordt vervolgens door de jager smakelijk opgepeuzeld. Het zijn dus niet de 'skeete' waar ze jacht op maken. Ook Pieter van Cuyck (18e eeuw) meent dat het om de drek te doen is, en noemt de vogel strontmeeuw of schijtvalk.

Skor bruine kiekendief. De soort wordt tevens gróóte kuukedief genoemd. Een skor is in het dialect ook iemand die loopt te struinen.
Het tijdschrift van de Vogelwerkgroep Texel heet 'De Skor'.

Skrééuw-aakster vlaamse gaai. Een aakster is een ekster.

Skijter spreeuw (nestjongen heten kollekedotters)

Slet mus. Vroeger sprak men van 'slette droele'. 'Droele' was het met behulp van een lantaarn grijpen van vogels in hun slaap, zoals mussen, vinken en goudplevieren.

Slob, slobberheend slobeend. Wordt wel verward met de zomer- en wintertaling. Slob komt van slobberen, slurpen.

Snip watersnip. Heet ook bokkie. De Snippen is een natuurmonument aan de Laagwaalderweg. 'In 't snippevluchie' is Tessels voor 'schemering'.

Stoar, ster noordse stern, visdief. Wordt ook middelstoar genoemd. Stoar betekent ster. Het verkleinwoord is stortje. 't Stoar is de naam van een weidevogelreservaat oostelijk van de Petten. Als de eerste sterns verschijnen is dat voor vissers een teken dat ze rog kunnen vangen. Zie ook kleinstoar, middelstoar, gróótstoar en blaauwstoar.

Strandlóóper kleine en bonte strandloper.

Stoag, stoachie tapuit.

Sullevermeeuw zilvermeeuw (heet ook kokmeeuw en gróóte meeuw)

Swarte kraai zwarte kraai. Over kraaien bestaat een oud Tessels kinderrijmpje: 'Aai kraai uulekepóót, je mem is dóód, je taat is dóód, je kiendertjes lóópe te graaie. Soetemellek en wittebróód dat luste alle kraaie'. Een kraai is ook een doodgraver. Men zegt op Texel 'gien liek (lijk) of de kraaie sien 't', en ook 'de iene kraai zel de aare sien óóge niet uutpikke'. Een mooie nazomer is een 'kraaieseumer'.

Swarte tjakker merel (het jonge mannetje).
Zie ook grééuwe tjakker en fluiter.

Swartkopmeeuw kokmeeuw. Heet op Texel ook kapmeeuw.

Swaveltje boerenzwaluw. Wordt ook zwalefie genoemd.
Tesselaar wilde zwaan. Op Texel zelf komt de naam niet voor, maar hij staat als volksnaam genoemd in de vogelgids 'Zien is kennen' van Nol Binsbergen uit 1937. Pieter van Cuyck (midden 18e eeuw) vermeldt het broeden van wilde zwanen in de polder Waal en Burg. Waarschijnlijk zijn dit wilde knobbelzwanen geweest, maar omdat de wilde zwaan normaal alleen in Noordoost-Europa en Siberië broedt, zou het broeden op Texel heel bijzonder zijn. Het zou kunnen dat de bijnaam Tesselaar aan de vermelding van Van Cuyck te danken is.

Tjakker merel (zie ook fluiter en grééuwe- en swarte tjakker). Een veld-tjakker is een krams-vogel. Iemand die er rap vandoor gaat 'vliegt as een tjakker van de skutting'.

Tjerk, tjat tureluur (tjat komt minder voor).

Tjilling, tjillingheendje winter- en zomertaling (wordt soms verward met de slobeend).

Toorezwaluw gierzwaluw.

Toorekraaitje kauw.

Tortelduuf tortelduif. Wordt meestal kortweg tortel genoemd.

Uul velduil. Heet op Texel eigenlijk katuul.

Veldliester, veldtjakker kramsvogel
Een tjakker is een merel.

Vinkie graspieper. Heeft ook de namen (duun)piepertje en kantlieuwerik.
Vroekie strandplevier (ook sandlóópertje). 'Lóópe as een vroek' is snel, dribbelend lopen.

Waterkip waterhoen (ook rietkip en riethen).

Wielewaal soms gebruikt voor de grauwe (grééuwe) klauwier.

Wilde heend wilde eend. In de hoop nog een volgende legsel te kunnen rapen, legde men vroeger een 'gaarei' in eendenesten, een voorwerp dat het ei moest vervangen.
Men gebruikte b.v. pijpekoppen, wulkeschelpen en geschilde aardappelen. Ook soorten als de kievit, grutto, kluut en wulp lieten zich met een 'gaarnessie' makkelijk foppen, maar scholeksters en tureluurs trappen er niet in.

Wilde kenarie gele kwikstaart (heet ook geelborsie en gele skrééuwerd). De spotvogel wordt eveneens wilde kenarie genoemd.

Wilster goudplevier. Wilstere heette het vroeger als men plevieren ging vangen met een slagnet. De naam wilster komt ook in Friesland voor,
de betekenis is niet bekend. Misschien hangt het samen met 'wéél'.

Winterkeuninkie winterkoning. Heet meestal duumpie.

Witsteertskor grauwe en blauwe kiekendief. Wijfjes en jongen van deze soorten lijken op elkaar. Een skor is een bruine kiekendief.
Zie verder bij skor en kuukedief.

WuIlep wulp (heet op Texel ook piepepluuzer en reegefluiter). Als je ze op het wad hoort fluiten is dat een teken dat het water wast.
'De wullepeweid op' wordt gezegd als iemand uithuizig is zonder vaste afspraken. Oorspronkelijk betekent het: op een ongeregelde manier zijn eten bij elkaar scharrelen. Een halleve wuIlep is een regenwulp.

Zwalefie boerenzwaluw. Heet ook swaveltje. Komt voor in een oud Tessels kinderrijmpje:
'de zwalefies brochte 't fulles uut huus'.
Als zwaluwen laag vliegen, gaat het regenen.

Texelse Dialekt - namen voor planten

Texelse dialectnamen voor planten

Ontleend aan de gids De wilde planten van Texel

‘De blomme bloeie op ’t veld, 't Is zóó skóón os sullevergeld’


Appeltjeskruud lepeltjesheide (cranberry),
de vruchtjes lijken wel wat op appeltjes.
Besseheid kraaiheide
Bevertjes trilgras
Bitterzoethout bitterzoet
Blaauwe braame dauwbraam
Blaauwe klokkies grasklokje (wilde hyacint)
Blaauwe knóópies zandblauwtje
Blaauwe skeertjes harlekijn
Blaauwe stiekel blauwe zeedistel
Blaauwe stinkblom blauwe knoop
Blaauwe strandblom lamsoor. De soort groeit op kwelders en zogenaamde groene stranden.
Braamdoores braamstruik
Brambeie braam (zowel dauw- als bosbraam), ‘beie’ zijn bessen
Bréédblodhellem noordse helm (een kruising tussen helm en duinriet, met bredere bladen dan de gewone helm)
Bréé(d)kop kruldistel, speerdistel
Brande neekeI grote en kleine brandnetel
Damrije Engels raaigras. Groeit vooral bij de dam of het hek van een stuk land omdat het vee er vaker staat en er dus meer mest terechtkomt
Diekblomme Engels gras. Komt vrij veel voor op tuinwallen en oude binnendijkjes
Dikkop speerdistel
Dolkruud dolle kervel, kroontjeskruid (ook voor andere wolfsmelksoorten).
Doorebesse, doores duindoom
Dóóve neekel de dovenetelsoorten
Drieblod zevenblad (!)
Dróóge sporte biezeknoppen
Duule galigaan. Deze soort werd vroeger, net als riet, gebruikt voor dakbedekking. Ook werden schoven op het veld er mee afgedekt, zodat het regenwater er sneller afliep. Achter Loodsmansduin groeiden ze veel. Daar bestaat nog het ‘duuleflakkie’.
Duunbraam dauwbraam
Duuvelgéére warkruid, duivelsnaaigaren
Eélkroost watereppe (éél = aal)
Eéuwig leeve muurpeper. Een bijzonder taai plantje
Egelplant doomappel. De vruchten zijn met stekels bezet
Eikelplantje scherpe fijnstraal
Fakkel jeneverbes
Farrekesfergift zwarte nachtschade
Feugelemellek vogelmelk
Feugeltjes vogelwikke. Wanneer je een bloemetje dat goed open is precies met je nagels bij de steel afknijpt en je houdt het dan aan de onderkant vast, dan heeft het precies
de vorm van een vogeltje, met snavel en al
Fleerebóóm, flierestruuk vlier
Fleissie koekoeksbloem
Fliegefanger, fliegeplantje zonnedauw.
Een beetje aftreksel van de ronde zonnedauw werd vroeger wel in ‘slemp’ gedaan om de amoureuze lusten op te wekken
Flooiekruud heelblaadjes, zeealsem.
Vroeger gebruikte men stro of hooi in de bedstee. In stro zaten vlooien, in hooi niet.
Het heelblaadje zit altijd tussen hooi en misschien werd er daarom een vlooienwerende werking aan toegekend. Een oud rijmpje : Deer komt een luus, deer komt een flooi, deer komt een mannetje met haverestrooi.
Frattekruud kroontjeskruid, wolfsmelksoorten
Fuulte verzamelnaam voor onkruid
Ganze (góónze)muur vogelmuur. Ganzen schijnen het heel graag te eten
Gele klompies rolklaver. Vooral vlinder-
bloemigen werden met schoenen, muilen e.d. vergeleken.
Gele pluume echt walstro
Gouwe spelde Engels gras. De naam zou mogelijk verklaard kunnen worden uit de aloude verbinding van Texel met Engeland. Daar zijn als volksnamen bekend Lady's pincushion en Pincushion (onze-Iieve-vrouwe-speldenkussen en speldenkussen). Zie ook de opmerking bij ‘hoedespelde’ Groene kéésies de kaasjes-
kruidsoorten. Vroeger werden de op kaasjes lijkende vruchten door kinderen gegeten. Tegenwoordig lusten ze die niet meer.
Gróóte blaauwe klokke klokjesgentiaan
Gróóte butterblom dotterbloem, grote boterbloem
Gróóte piespot haagwinde
Haagedoore meidoom
Haan zeebies Haanekam gele lis
Haanekóól, haanekol(leke), haniekóól lisdodde. Vroeger werden in het voorjaar (rond Pinksteren) de witte ondereinden van de stam van de lisdodden met stroop gegeten. Ook at men de wortels van verschillende soorten russen Haantjes moeraskartelblad (zie kuukele-
haantjes)
Haantjes en kuukelehaantjes ratelaar
Haazeblaade herfstleeuwetand, muizenoor, smalIe weegbree
Haazebróód hazepootje, gewone veldbies
Harend Noorse, ronde of platte rus. Harendhooi was vroeger bij de boeren erg gewild. Koeien en schapen die ziek waren of niet zo goed groei-
den, liet men graag op harendland grazen.
De mielanden bij Oudeschild bijvoorbeeld waren erg in trek vanwege het harendhooi dat er af kwam. Het was trouwens lastig hooien, want harend is kort en glad en niet gemakkelijk bij elkaar te houden
Harrekies vogelwikke
Heeregros een zeer voedzame grassoort
die in ‘pijpjesvorm’ groeide, aldus Pieter van Cuyck (1789). Wellicht een russensoort
Heid kraaien struikheide. Vroeger werd heide vaak door bakkers in de ovens gestookt. Het werd snel heet. Bovendien was stookhout op Texel vrij schaars
Heidaalebesseheid kraaiheide. De vruchten van de soort heten heidaalebesse. Je moest er trouwens niet te veel van eten anders kreeg je diarree
Herfsttiteloos herfsttijloos
Hoedespelde Engels gras. De naam verwijst naar de ouderwetse hoedenspeld die dwars door hoed en haar werd gestoken om het af-
waaien te voorkomen. Aan één kant van de speld zat een versiering. De Engels grasbloem-
pjes op hun lange stelen lijken er wel wat op
Hondetonge grote weegbree Honingblompies witte dovenetel
Hooisééd witbol
Jaapeblom, jaapetakke duinroos.
De botteltjes werden jaape genoemd. Voor de duinboeren lastige plantjes want de vacht van de schapen zat vaak vol met de stekelige takjes. Dat bemoeilijkte het scheren. De tweede duin links van de Badweg in De Koog heet de Jaapenol
Jezusgros perzikkruid. De donkerbruine of -rode vlekken op de bladeren zijn, volgens een oude legende, ontstaan doordat bloeddruppels van Christus op de onder het kruis groeiende bladen van het perzikkruid vielen. De plant zou ook een soort symbool zijn van de menselijke schuld. Als er een stuk of vier op een meter bij elkaar staan groeit er verder niets meer.
Juffers of juffrouwe kale jonker, misschien ook voor wegdistel
Kankerblom klaproos
Kebouterschoentjes brem (zie gele klompies)
Kéésies, kéésieskruud, kéésiesblom kaasjeskruid
Kerremesblom zandblauwtje. De soort komt in bloei in de tijd dat de kermis op Texel gehouden wordt, eind juni -begin juli
Ketoengros wollegras, veenpluis
Kikkerblod grote waterweegbree
Kikkerblom speenkruid
Klein leeuwebekkie vlasbekje
Klit de klissensoorten
Klód, klóóde, klóódeblaade, klóódebosse de klissensoorten
Klompe en muultjes (moeras)rolklaver (zie gele klompies)
Knapper(tjes)heid dopheide. De enige heide-
soort die knappert als het brandt
Knieneblaade paardebloem en andere gele composieten. Wordt veel gezocht als voedsel voor tamme konijnen.
Knóópeskéér zwaluwtong
Koeieblom de rode orchideeënsoorten, rode klaver en zelfs Engels gras. Het is de vraag
of al deze soorten zo graag door koeien gegeten werden
Koekoeksblom orchideeënsoorten
Konnewosser lisdodde. Konnewosser is kannenwasser, een soort tuitenrager. Achter Den Hoorn groeiden vroeger veel lisdodden.
De naam konnewossergat/flak herinnert hier nog aan. Vroeger werd de lisdodde (rietsigaar) wel gesneden voor het zaadpluis. Daarmee werden bedden en kussens gevuld. Waarschijnlijk geen onverdeeld genoegen om-
dat het pluis klonterde en op den duur erg stoof
Kooiblomme wilde hyacint. Deze plant werd eertijds als een soort bijverdienste in de eendenkooien geteeld. Toen was de gewone hyacint nog niet ‘ontdekt’. Nadien is de wilde door de kweekvormen verdrongen. In de kooibosjes werden later vaak sneeuwklokjes gekweekt
Korrewos zwanebloem (korrewas = karwats)
Kotjespluurn wollegras
Kottebeie zwarte nachtschade, ook de bessen van de aardappel Kottebeieheid kraaiheide Kottedoore kruipend stalkruid, kattedoorn
Kraaleblom lamsoor. Deze soort groeit vaak samen of in de nabijheid van zeekraal (in het Tessels soute kraale)
Kreuje de duizendguldenkruidsoorten.
Deze werden voorheen ingezameld om als geneesmiddel gebruikt te worden. Het hielp tegen veel, in ieder geval tegen nier- en blaasziekten en waarschijnlijk ook tegen reuma
Krok witte krodde, herik
Króóntjes kroontjeskruid
Króóst de kroossoorten
Krulgros pijpenstrootje
Kruupertjes kruipertje, ook voor veldgerst
Kruupgros buntgras. De pollen zijn kruup-
grosbolle
Kruuzemunt watermunt
Kuukelehaantjes (moeras)rolklaver, ratelaar, helmbloem. De bloemvorm van deze planten heeft wat van de kop van een haan.
Kwielblaade grote weegbree (kwiel = kwijl)
Kwielkwobbe ridderzuring
Lamperager grote muggenorchis
Lange juffer wilgenroosje, maar ook kale jonker
Lepelblod grote waterweegbree, waterdrieblad en de lepelbladsoorten. Vanwege de genees-
krachtige eigenschappen van het waterdrieblad werd de plant vroeger door duinboeren veel ge-
plukt en geleverd aan de apotheek in Den Burg. Vooral in de natte duinvalleien bij Den Hoorn stonden uitgestrekte velden vol met deze nu zeldzame soort
Lepeltjesblod herderstasje
Liesterbei lijsterbes
Luilakke (knikkende) vogelmelk
Maartsfiooltje driekleurig viooltje
Mannetrouw gewone ereprijs, mannetjesereprijs
Meierblom madeliefje, maar ook paardebloem en muizenoor
Mellekmurik de muursoorten
Meilekstamme, mellekwiet algemeen voor melkdistelsoorten
Moerdebei dauwbraam, bosbraam
Moffepiep vingerhoedskruid
Mosróósie parnassia
Mouwekruuper kruipertje
Munnekeblaade de kruiskruidsoorten.
Munnek of kottemunnek is Tessels voor nachtvlinder. Hoe dat in verband moet worden gebracht met kruiskruiden is niet helemaal duidelijk. Het zou moeten zijn omdat het Jacobskruid vaak kaal gevreten wordt door de rupsen van de Sint Jacobsvlinder
Murik, murrik de muursoorten
Muultjes (moeras)rolklaver. (gele klompies)
Muskuskruud zilverschoon
Muuzegorst kruipertje, kruipend struisgras
Nachtkéérs een soort teunisbloem
Nakende juffies, nakende monnetjes, nakende vrouwtjes sneeuwklokje
Navelblod waternavel
Neutjes (pijp)torkruid
Ongansblom (ongóónsblom) parnassia.
Deze soort groeit op lage vochtige plaatsen.
Dat zijn ook de plaatsen waar schapen vroeger de leverbotziekte (ongans) opliepen. Sommige duingebieden werden vanwege de aanwezigheid van ongóóns met een tuinwal (later heining) afgezet.
Ontuug onkruid, als verzamelnaam minder gebruikt dan fuulte
Ooievaarssnavel ooievaarsbek
Ossestiekels kale jonker. Bij de ontginning van de mientgronden werden ossen gebruikt. Waarschijnlijk lustten die beesten ze graag. Ook koeien zijn er gek op, vooral als de plant kort geleden is afgemaaid. Ze zijn dan verlept en veel zachter. Dat is ook het geval wanneer na een vorstperiode de dooi intreedt. De koeien vreten er dan de hartjes uit.
Peerdeblom gele composieten zoals de paardebloem, duinpaardebloem, thrincia's en schermhavikskruid, maar ook streepzaad en dagkoekoeksbloem.
Peperemuntblom watermunt
Piepekoppe vingerhoedskruid
Piepiekeersiekangelaar zwanebloem. Komt voor in een oud Tessels rijmpje: ‘piepiekeersie-
kangelaar, ik wow dot 't morrege sundag waar.’
Piespotjes akkerhoornbloem, akkerwinde en gewone hoornbloem
Pinksterblom echte koekoeksblom
Pisblomme fluitenkruid. Heeft vanwege zijn typische geur wellicht deze naam gekregen.
Poddeblaade grote waterweegbree, hertshoornweegbree, ook ridderzuring
Poddeblom duizendblad, echte valeriaan
Poppe echt walstro
Rietsegaar lisdodde
Rieze kruipwilg
Roggebróódjes, roggebróódstengels grote weegbree
Róódskinkel perzikkruid, soms ook veenwortel. SkinkeI kan samenhangen met het woord ‘schenkel’, wegens de knokige roodachtige stengelgeledingen. In het Tessels is skinkel ook een ijzeren haak, bijvoorbeeld zoals die zit aan een disselboom van een boerenkar.
Ook het gebogen ijzer onder een schaats wordt skinkel genoemd.
Rooie jaape meidoorn
Rooie skaater rode ogentroost (zie skaater)
Rooie sterre echte koekoeksbloem
Saabel gele lis. De naam slaat op de bladeren, die lijken op een ouderwets tweesnijdend zwaard
Sachte neekel witte dovenetel
Sintaurus de duizendguldenkruidsoorten.
De naam is afgeleid van de wetenschappelijke naam centaurium
Skaater ratelaar. ‘Skateren’ is ratelen, klapperen. De vruchten van de ratelaar klapperen dikwijls in de kelkbladen. Omdat de bloemen van de rode ogentroost enigszins lijken op die van de ratelaar en beide soorten dikwijls in hetzelfde gebied voorkomen, heeft de rode ogentroost waarschijnlijk de naam rooie skaa-
ter gekregen. Rammelen doen de vruchten van deze soort echter niet.
Skarrepe mellekstamme zeeakkermelkdistel (skarrepe = scherpe)
Skéépeblom engels gras, madeliefje en ook witte klaver. Schapen zijn helemaal niet zo dol op witte klaver. De naam zal dus te danken zijn aan het schapewollig-witte bloemetje.
Ook madeliefjes worden niet door schapen gegeten, zodat de naam waarschijnlijk eveneens betrekking heeft op de bloemkleur.
Skéépegros duizendblad, schapegras
Skeerkwost echte koekoeksbloem
Skeertjes harlekijn
Skeuertjes (skuiertjes) vogelwikke
Skoentjes, skoenemuultjes (moeras)rolklaver. Zie gele klompies
Sléépmusse vingerhoedskruid, haagwinde
Slóótsegaar lisdodde
Soute kraale zeekraal. Vroeger (ongeveer rond 1900) noemde men een deel van de Slufter
‘De Kraale’ omdat er zoveel zeekraal groeide
Speenkruud zilverschoon. Natuurlijk ook speenkruid
Spelde, speldekoppe Engels gras. Zie gouwe spelde en hoedespelde
Sporte alle russensoorten. Een sporteweid is dus geen sportveld, maar een (arm) weiland
met veel russen.
Sterretjes vogelmelk
Stiekel alle distelsoorten. In het algemeen geen geliefde planten. ‘Stiekelig’ betekent hatelijk. ‘Ofstiekele’ is afschepen. Vroeger werden op de avond voor luilak (de zaterdag voor Pinksteren) door jongens distels (soms ook brandnetels) aan de deurknoppen geknoopt. Wie ze 's morgens nog het langst had hangen was de luilak. (Luilak, sléépzak, kerremespop, staat om neege uure op, neege uure, hollef tien, nag is die luilak niet te sien). In Oudeschild visten de jongens met hetzelfde doel krabben. De meisjes deden het vriendelijker: ze vlochten bloemen tot kransen en hingen die aan de deur.
Stiekelhakker knikkende distel
Stienklaver liggende klaver, rupsklaver
Stinkeblom zandblauwtje
Stinkeróós klaproos
Stinkgros varkensgras. Deze plantsoorten stinken niet. Het voorvoegsel stink in de Texelse namen duidt waarschijnlijk op ongewenst, lastig (onkruid)
Sulleverskóón zilverschoon
Suugblom de kartelbladsoorten, rode klaver, paarse en witte dovenetel. Kinderen zogen uit
al deze soorten honing
Suugertjes moeras- en heidekartelblad.
Deze beide soorten bevatten meer honing dan de dovenetels
Suukerblom rode klaver (zie suugblom)
Suukerstikke witte dovenetel (zie suugblom).
Suukerstik betekent eigenlijk ‘boterham-met suiker’. Bij de geboorte van een kind trakteerde men daar vroeger op
Suurblaade, suurik veld- en schapezuring mogelijk ook andere zuringsoorten
Sweereblaade hondsdraf. De naam duidt op de geneeskrachtige werking die aan de soort werd toegekend
Teeblaade drijvend fonteinkruid
Teerkwost echte koekoeksbloem
Tiesklaver hopklaver.
‘Tieste’ zijn klitten (tieste in 't heer). ‘In de
ties zitten’ betekent: in de war zitten
Uunder lidrus, heermoes, paardenstaart
Velde(r)blom madeliefje
Waterblom pinksterbloem Waterklaver waterdrieblad. Zie ook lepelblod
Weegeblaade grote weegbree (ook grote waterweegbree)
Wéésie hondsviooltje, maar ook het akker-
viooltje en het driekleurig viooltje. De kinderen uit het voormalige weeshuis in Den Burg liepen na 1915 in blauwe kleding (voordien liepen ze
in het zwart). Vermoedelijk is daarom de naam vooral op het hondsviooltje van toepassing geweest. Overigens is ook de naam fiooltje algemeen in gebruik
Wierblomme echte kamille (ook andere kamillesoorten)
Wilde boekweit zwaluwtong
Wilde goukes heelblaadjes. ‘Goukes’ is de Texelse naam voor goudsbloem
Wilde karremel de kamillesoorten
Wilde kepok wollegras
Wilde knieneblaade duinpaardebloem, thrincia
Wilde klokke haagwinde
Wilde stekbiet strandbiet
Wilde tarrow biestarwegras
Wilde wortel peen
Winternavel kleine winterpostelein
Witte koeieblom gevlekte orchis
Witte wijve witte krodde
Wok vogelwikke
Wurremekruud boerenwormkruid
Zééster zulte (zeeaster)

donderdag 6 november 2008

Dorpscommissie: Geen borrelbus naar De Cocksdorp

Dorpscommissie: Geen borrelbus naar De Cocksdorp

door Edo Kooiman
donderdag 6 november 2008

Burgemeester Joke Geldorp zal proberen
om de borrelbus in de zomermaanden ook
naar De Cocksdorp te laten rijden.

Die belofte deed zij tijdens het overleg tus-
sen de dorpscommissie van De Cocksdorp
en het college van B&W.

Langs de Postweg worden ieder jaar veel
verkeersborden en andere zaken gesloopt.
Dit gebeurt volgens de dorpscommissie
veelal door de jeugd die uit De Koog lopend
of met de fiets naar De Cocksdorp gaat.

Burgemeester Geldorp dacht dat De Cocks-
dorp in de zomermaanden al in de route van
de borrelbus werd meegenomen.

Dit werd ontkend door de aanwezige leden
van de dorpscommissie.
Volgens de leden werd wel de zuidelijke
route vanuit De Koog gereden, maar niet de
noordelijke route naar De Cocksdorp.

Geldorp beloofde om na te gaan of de aan-
besteding voor het vervoer van volgend jaar
al heeft plaatsgevonden.

“En dan ga ik ook meteen kijken of de route
voor volgend seizoen aangepast wordt.”
Geldorp liet overigens weten dat er in de
laatste maanden al diverse waarschuwin-
gen in het nachtleven zijn gegeven.

En deze waarschuwingen waren voorname-
lijk aan Texelaars gericht.

Bij een waarschuwing wordt ook een gele
kaart uitgedeeld. En bij twee gele kaarten
geldt er een uitgaansverbod in De Koog.

Cocksdorp streeft naar minder borden langs Postweg

Cocksdorp streeft naar minder borden langs Postweg

door Edo Kooiman
donderdag 6 november 2008

De gemeente heeft plannen om het aantal verkeersborden langs de Postweg in Eierland fors te verminderen.
Dat zei wethouder Peter Bakker tijdens het overleg met de dorpscommissie.
'Gewapend' met camera's hebben enkele leden van dorpscommissie De Cocksdorp de borden gefotografeerd.
Het is ook de wens van de dorpscommissie om het aantal borden drastisch te verminderen, aldus voorzitter Gerrit Koorn.
"Op één plek staat zelfs een verbodsbord voor alle verkeer en daarnaast staat een bord met verboden te parkeren."
"We vragen ons daarom af of alle borden wel noodzakelijk zijn."
Over een lengte van 600 meter langs de Postweg staan volgens Koorn meer dan veertig verkeersborden.
De gemeente is onlangs bij een Friese gemeente op excursie geweest voor het project 'gedeelde ruimte'.
Daar werd juist gekeken of alle verkeersborden wel noodzakelijk zijn.
"Op een gegeven moment staan er zoveel borden, dat je tussen de bomen het bos, of in dit geval de borden, niet ziet."
"En het is nog maar de vraag of de verkeersdeelnemers de aanwijzingen opvolgen", aldus wethouder Bakker.
De gemeente wil het sociale aspect terugbrengen in het verkeer.
"Als een automobilist zijn auto parkeert zodat niemand er meer langs kan, dan is dat niet sociaal", zegt Bakker.
"Dit kun je met borden regelen, maar het ligt ook aan de bestuurder zelf."
Bakker beloofde de dorpscommissie van De Cocksdorp om te onderzoeken welke borden langs de Postweg overbodig zijn.